Bach Matthäus-Passion

De Matthäus-Passion: beter dan opera

Muziek in Leipzig

Het overgrote deel van Bach's koormuziek is geschreven na 1723, toen hij zijn lange dienstverband aanving als Kantor van de Thomaskirche in Leipzig. Tot aan zijn dood zou hij daar meer dan 230 cantates hebben geschreven en vijf 'Passies', waarvan er nog twee bestaan: de 'Johannes' en de 'Matthäus'. Van zijn 'Marcus', uitgevoerd in 1731, bestaat alleen nog het libretto.

Leipzig was in die jaren een bloeiende handelsstad, een beetje in de schaduw van Dresden, met een eigen universiteit en een druk cultureel leven. Bach vervulde er als kantor en stads-muziekdirecteur een belangrijke rol. Behalve zijn werk voor de kerk en de school, die er aan verbonden was, schreef hij tientallen stukken voor de burgerij en de lokale adel: cantates voor verjaardagen en huwelijken, het Vioolconcert in E, de Brandenburgse Concerten, alles behalve opera, want voor iemand die in dienst was van de Lutherse kerk was het ondenkbaar dat hij zich met dat moreel twijfelachtige genre inliet. In Leipzig was de opera in 1720 gesloten. Niet-religieuze muziek werd vooral uitgevoerd door het Collegium Musicum, opgericht door Telemann in 1701. Bach nam daar het dirigentenstokje over in 1729.

Passio Domini nostri

Het belangrijkste grote werk uit Bach's eerste jaren in Leipzig is de Johannes-Passion, voor het eerst uitgevoerd in 1724. Hij gebruikte voor het libretto een mengeling van bijbelse en niet-bijbelse teksten van verschillende kwaliteit. In de jaren daarna maakte hij kennis met de postmeester van de stad, Christian Friedrich Henrici, die als dichter publiceerde onder het pseudoniem Picander. Ze werkten samen in het schrijven van twee cantates, en tegen 1727 vond Bach kennelijk dat Picander de man was met zodanige literaire kwaliteit dat die hem kon bijstaan in het voltooien van zijn grootste ambitie: de Passio Domini Nostri J.C. Secundum Evangelistam Matthaeum, ofwel 'Het Lijden van onze Heer Jezus Christus, volgens de Evangelist Matthäus'. Dit moest een muzikale én dramatische bewerking worden van de laatste dagen uit het leven van Jezus - het laatste Avondmaal, het verraad in de Olijftuin, de arrestatie, het verhoor en de kruisiging. Het woord 'passie' is hier afgeleid van het Latijn ('patior') voor lijden.

Pijn en lijden

De Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach werd voor het eerst uitgevoerd op Goede Vrijdag 11 april 1727. Het was géén opera, maar het effect was op zijn minst vergelijkbaar, zo niet sterker. John Eliot Gardiner schrijft: 'Er bestaat geen enkele opera seria uit die tijd die met Bach's twee Passies te vergelijken is, in de zin van het intense menselijke drama en het morele dilemma dat hij erin uitdrukt - in zo'n overtuigende en diep-ontroerende manier.'

Volgens Gardiner volgde Bach de woorden van Maarten Luther, die had gezegd dat het Lijdensverhaal niet moest worden nagedaan, of uitgebeeld, maar moest worden geleefd. Dat gebeurt, in de Matthäus: de luisteraar wordt meegetrokken in een verhaal dat wordt verteld om hem wakker te schudden en mee te nemen in de geschiedenis van pijn en lijden, door wroeging en spijt, naar de mogelijkheid van verlossing - de Opstanding van Pasen.

De rol van Picander was daarom van groot belang. In eerdere Passies - zoals de 'Matthäus' van Schütz - werd in essentie alleen de Bijbeltekst gevolgd, maar in Bach's tijd werden daar nieuwe elementen aan toegevoegd. Bach en Picander onderbreken de Bijbeltekst met traditionele koralen - die de Leipziger burgers konden meezingen - maar ook met aria's, duetten en koorpartijen op basis van nieuwe teksten en nieuwe muziek. Ze refereren aan het Bijbelverhaal, maar ze stappen daar ook uit, om de burgers uit 1727 persoonlijk aan te spreken en ze te betrekken in de actualiteit van het verhaal. Zij worden óók getuigen van de geseling en de kruisigingen, zij roepen om Barabbas, zij staan ook als rouwenden bij het graf.

Een komische opera

Het effect was sterk. In een contemporaine bron (Christian Gerber's Historie der Kirchen-Ceremonien in Sachsen, 1732) staat de reactie van een Leipziger Passie-bezoeker opgetekend. 'Toen in de grote stad zulke Passiemuziek voor het eerst werd uitgevoerd waren veel mensen verbijsterd, en ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. In de kerkbanken zaten de adellijke families, vele predikanten, en andere families van aanzien, en zij zongen uit hun bundels het eerste koraal van de Passie met grote devotie. Maar toen deze theatrale muziek begon werden al die mensen prooi van de grootste verwarring. Ze keken elkaar aan en zeiden: 'Waar moet dat heen?' En een oude weduwe van een adellijk geslacht zei: 'Gode sta ons bij, mijn kinderen! Het lijkt wel of we bij een komische opera zitten!''

Bach heeft zijn Matthäus later nog een aantal malen herzien en aangepast. De definitieve vorm dateert van 1736. Het stuk werd echter buiten Leipzig maar zelden gehoord en raakte in de vergetelheid. Pas na 1829, toen Felix Mendelssohn het in een korte versie in Berlijn uitvoerde, werd het opnieuw gewaardeerd en keerde het terug op het repertoire. In veel landen - zeker in Nederland - is de uitvoering van de Matthäus sindsdien een jaarlijkse traditie geworden.

Koen Kleijn