Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Andriessen Mysteriën

Niets is leuker dan een anekdote over een niet geheel vlekkeloos verlopen première van een later bewierookt meesterwerk. Het ontstaan van Louis Andriessens Mysteriën (2013) zal zeker deel gaan uitmaken van de canon der schandaalpremières; de documentaire Imperfect Harmony (Carmen Cobos, 2014) laat duidelijk zien dat de incompatibilité des humeurs van Mariss Jansons en Louis Andriessen de werksfeer verziekte. Toch waren beide partijen meer dan gemotiveerd om er het beste van te maken; Jansons omdat het onderdeel was van het concert ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van 'zijn' Concertgebouworkest, en Andriessen omdat Mysteriën een heel persoonlijk werk is geworden.

Louis Andriessen had decennialang een moeizame relatie met het Concertgebouworkest. In de jaren '60 kwam hij met een aantal andere componisten - waaronder Reinbert de Leeuw, Jan van Vlijmen, Misha Mengelberg, en Peter Schat - in verzet tegen de vermeende conservatieve en ‘ondemocratische’ programmering. In november 1969 verstoorden deze ‘Notenkrakers’ met knijpkikkers, rateltjes, een toetertje en een megafoon een concert onder leiding van Bernard Haitink. De demonstranten werden hardhandig uit de zaal verwijderd.

Sinds die tijd componeerde Andriessen geen orkestmuziek meer, mede omdat hij de manier van spelen van symfonieorkesten niet vond passen bij zijn muziek. Desondanks verzochten het Concertgebouw én het Concertgebouworkest hem jarenlang om een orkestwerk. Hij gaf er pas aan toe na een droom, waarin zijn overleden vader Hendrik, die wél voor het Concertgebouworkest componeerde, hem aanspoorde het nu eindelijk maar eens te gaan doen (‘Ach jongen, dat moet je nou maar doen…’) De inspiratie voor het te componeren werk vond Andriessen in het lijfboek van zijn vader De imitatione Christi van Thomas à Kempis (ca. 1380-1470), waarin wordt onderwezen hoe een goed christen te zijn. Andriessen nam er zes hoofdstukken uit en interpreteerde die in zes korte deeltjes als 'een reeks fresco's in een kloostergang'.

I. Over (…) het versmaden van alle wereldse ijdelheden begint met oppervlakkige aardse verleidingen, gesymboliseerd door een onontwarbare, luide geluidskluwen met flonkerend klatergoud, die vanaf 2:36 overgaat in serene rust.

II. Over de beschouwing van ’s mensen ellende is een klaagzang over de narigheid waarmee de mens te maken krijgt: ziekte, bedrog en haat.

III. In Wat de waarheid ons zegt zonder het lawaai van woorden wordt de luisteraar gedwongen aandachtig te luisteren; vanaf 11:49 eisen kwarttonen (tonen tussen de normale witte en zwarte pianotoetsen) letterlijk de aandacht van de luisteraar op.

IV. Hoe enen oprechten minnaar beproefd wordt is naast een loflied op de alles overtreffende grootsheid van de liefde ook een eerbetoon aan Hendrik Andriessen: het citeert in twee keer zo langzaam tempo diens orkestlied Magna res est amor, dat eveneens afkomstig is uit De imitatione Christi.

V. Over de verschillende bewegingen van de natuur en de genade laat gelijktijdig twee tegengestelde tempi ('bewegingen') horen: het snelle van de (menselijke) natuur en het langzame van de (goddelijke) genade.

VI. Met Over de overweging van de dood, een memento mori, sluit Andriessen de reeks op dramatische toon.

Andriessen: 'Aan het eind komt nog een laatste uitbarsting, als een schreeuw. En vervolgens [30:28] doe ik alsof er niets is gebeurd, met een prachtig langgerekt A-majeur-akkoord.’

Het lijkt een tegenstrijdigheid dat activistische kunstenaar zich bezighoudt met dat katholieke erfgoed. ‘Door mijn opvoeding heb ik een natuurlijke verbintenis met alles wat raadselachtig is’, zei Andriessen. ‘Dat lijkt me de beste manier om het te zeggen. Vandaag de dag beschouw ik godsdienst, kunst of filosofie allemaal als ideeën die zich in de creatieve geest van de mens afspelen. Daar hoort politiek ook bij. Toen wij als provo's de straat opgingen om tegen de oorlog in Vietnam te protesteren, was dat omdat we een betere wereld wilden.’