Bartók Pianoconcert nr. 3

Het is moeilijk voorstelbaar dat Béla Bartóks immens vitale, kleurrijke en trefzekere Derde pianoconcert ontstond onder druk van armoede, vertwijfeling en een verterende ziekte. Kort voor de nazi’s Hongarije binnenmarcheerden was de componist met zijn vrouw uitgeweken naar de Verenigde Staten, waar hij in vernederende omstandigheden zou sterven: voor zijn werk bestond geringe belangstelling, met grote geldzorgen als gevolg. In de voorafgaande jaren al leed de componist zwaar onder angst en onzekerheid; van nature pessimistisch had hij reeds de beproevingen van een wereldoorlog moeten doorstaan. Maar slechts het psalm-achtige middendeel getuigt van donkere gevoelens, als Bartók met de voor hem karakteristieke ‘nachtgeluiden’ een wat koortsachtige sfeer oproept. Elders blinken voortdurend de wapens waarmee Bartók de vele tegenslagen in zijn leven bestreed: harmonische en melodische inventiviteit en een sterke ritmische stuwing. Deze karakteristieken zijn nauw verbonden met zijn grote liefde voor volksmuziek. Als componist en onderzoeker richtte hij zich in het bijzonder op de muzikale folklore van Hongarije en Roemenië, maar die interesse strekte zich uit tot ver buiten de Balkan. Volksmuziek leverde hem niet alleen inspiratie voor zijn composities, maar was voor hem bovendien een symbool van broederschap en verstaanbaarheid, een taal die landsgrenzen en sociale verschillen overwon.

Vergeleken met de voorgaande twee pianoconcerten is dit derde concert opmerkelijk mild en ‘klassiek’. Het past in de ontwikkeling die Bartóks stijl in zijn laatste jaren doormaakte: door de deprimerende omstandigheden neigde hij minder naar experiment en modernisme en kreeg zijn muziek een romantischer en poëtischer karakter. Ook het feit dat hij zelf niet als solist zou fungeren dwong bepaalde concessies af: anders dan de eerste twee concerten, toegesneden op zijn eigen virtuoze pianistiek, schreef hij dit concert voor zijn vrouw Ditta, en bespaarde haar daarbij de extreme eisen die hij aan zijn eigen spel stelde.

Soms heeft het lijnenspel in dit concert bijna Mozart-achtige contouren. Dat betekent niet dat Bartók zich hier als een neo-classicist tevredenstelt met oude procedures; steeds breekt hij die open – zeker in het tweede deel (Adagio religioso), wanneer moderne onzekerheden de klassieke, beheersbare wereld binnensluipen. Het aanvankelijke ‘gebed’ van de piano – markante, rustige akkoorden – krijgt antwoord van fladderende, schrille stemmen (misschien niet zo bedreigend als in Bartóks eerdere ‘nachtmuzieken’, maar net zo grillig en desoriënterend). De crisis is van tijdelijke aard, want de Finale behoort tot de vitaalste muziek die hij ooit schreef.

Kennelijk voorvoelde Bartók, tegelijkertijd werkend aan het Altvioolconcert, dat het pianoconcert zijn laatste creatie zou worden: ‘Het einde’, schreef hij achter de laatste maat in het manuscript. Aan de orkestratie van de laatste zeventien maten zou hij niet meer toekomen; deze werden aangevuld door zijn vriend en medewerker Tibor Serly, die zich tevens over het onvoltooide Altvioolconcert zou ontfermen.