Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Beethoven Pianoconcert nr. 1

Toen Ludwig van Beethoven in 1792 zijn geboortestad Bonn verliet om zich in Wenen te vestigen had hij als componist nog weinig gepresteerd. Als pianist echter des te meer. Al toen hij twaalf was, speelde hij het hele Wohltemperierte Klavier van Johann Sebastian Bach. Zijn leraren stelden hem een grote carrière als klaviervirtuoos in het vooruitzicht. In de Weense aristocratische kringen trok zijn spel al spoedig de aandacht. De pianist, componist en muziektheoreticus Abbé Vogler (1749-1814) roemde Beethovens ‘geweldige kracht en bravoure’, en anderzijds zijn ‘vingersnelheid, subtiliteit en intense gevoeligheid’. Beethoven slaagde erin om uitsluitend als pianist en pianoleraar in zijn levensonderhoud te voorzien. Dat zijn eigen instrument in de composities die hij globaal tot zijn vijfentwintigste schreef domineert, spreekt daarom vanzelf. Het pianoconcert werd het genre waarmee hij zich voor het eerst in zijn volle artistieke omvang presenteerde.

Het Eerste pianoconcert in C majeur is in feite zijn derde. Beethoven was dertien toen hij voor het eerst aan een werk voor piano en orkest begon, waarvan alleen een piano-uittreksel – wel met aanwijzingen voor de instrumentatie overigens – bewaard is gebleven. Rond zijn twintigste schreef hij een pianoconcert in Bes majeur dat als zijn Tweede pianoconcert, opus 19, bekend is geworden. Dat komt omdat hij dat pas liet uitgeven nadat zijn later geschreven Pianoconcert in C majeur, opus 15, was gepubliceerd dat uiteindelijk als Eerste pianoconcert in zijn werklijst terecht is gekomen. Dat Beethoven in zijn begintijd de publicatie van zijn pianowerken vaak uitstelde, had overigens ook te maken met zijn carrière als pianist. In een tijd die geen copyright kende, konden er op die manier geen andere pianisten met zijn stukken vandoor gaan. In zijn opus 15 kon Beethoven zich ten volle manifesteren als de exuberante pianist die hij was. Bovendien biedt het werk tal van muzikale verrassingen. Zo verbergt het beginthema aanvankelijk zijn martiale karakter door pianissimo binnen te sluipen.

Opmerkelijk is ook dat de solist bij zijn entree dit thema negeert door een vloeiende melodie te poneren, waardoor de muziek een onverwachte wending lijkt te nemen. Het spelen met scherpe contrasten, in combinatie met een vaak spectaculaire schrijfwijze voor klavier, draagt bij aan het fantasierijke karakter van dit eerste deel. Het Largo bezit een weidsheid die later zou terugkeren in tal van Beethovens rijpere composities. Het afsluitende Rondo, dat een enigszins boertige humor bezit die aan Joseph Haydn doet denken, was – aldus Beethovens biograaf en tijdgenoot Franz Wegeler (1765-1848) – twee dagen voor de première nog niet voltooid. Vier kopiisten rukten volgens hem in de resterende tijd de vellen muziekpapier uit de handen van de componist.