Beethoven Symfonie nr. 4

De negentiende eeuw begon voor Ludwig van Beethoven met zeer turbulente jaren. Zijn beginnende doofheid en zorgwekkende gezondheidstoestand kostten hem veel hoofdbrekens, getuige sommige pijnlijke brieven uit 1801. In oktober 1802 dreef het aanhoudende gesuis in zijn oren hem bijna tot zelfmoord, en ging hij zelfs zover om een testament op te stellen ten gunste van zijn twee broers, het Heiligenstädter Testament. Beethoven was pas 32 jaar oud! Tegelijkertijd ging het hem voor de wind, zowel materieel als artistiek. Aan zijn vriend Franz Wegeler schreef hij: ‘Mijn composities brengen een aardige som geld op; ik kan zelfs zeggen dat ik meer opdrachten krijg dan ik kan uitvoeren. Ik hoef niet meer met de mensen te onderhandelen, ik noem mijn prijs en ze betalen.’ Met zes strijkkwartetten, twee symfonieën, vijftien pianosonates en drie pianoconcerten achter de rug vertelde Beethoven eind 1802 enthousiast aan zijn vrienden dat hij met zijn muziek een nieuwe weg was ingeslagen. Hij was begonnen aan de heroïsche middenperiode in zijn oeuvre, met als sterkste voorbeelden de Derde symfonie ‘Eroica’ en het Derde pianoconcert.

Niet lang na het Vierde pianoconcert componeerde Beethoven zijn Vierde symfonie. De door hun lyriek enigszins verwante werken ontstonden beide in een rustpauze die Beethoven nodig had tijdens het schrijven van de Vijfde symfonie, die pas na lang worstelen tot stand kwam en niet voor niets ‘Schicksalssymphonie’ wordt genoemd. In deze Vierde geen heroïek of speculaties over Beethovens haat-liefde-verhouding met Napoleon zoals in de Derde, maar ook niet het kloppen van het noodlot zoals we dat sinds de uitleg van Beethovens leerling Anton Schindler in de Vijfde zijn gaan horen. De Beethoven-exegese heeft het maar moeilijk met deze wat verwaarloosde symfonie: geen biografische aanknopingspunten of ethische waarden die het werk een meerwaarde kunnen geven. De symfonie gaat alleen over zichzelf. Voor een groot deel wordt het karakter van het werk bepaald door de twee Adagio’s. Het ene vormt de langzame inleiding tot het eerste deel, het andere is het zelfstandige langzame deel van de symfonie.

De inleiding kent niet de gebruikelijke plechtigheid zoals de majestueuze klankpoorten van sommige symfonieën van Haydn. Nee, de sfeer is mysterieus en onheilspellend. Na een heftig crescendo maakt zich plotseling een thema los waarmee het snelle tempo losbarst. Dit Allegro vivace is licht, dansant, maar soms met een ondertoon van melancholie en dreiging. Vooral de felle accenten en de mineuraspiraties van het tweede thema wekken angst en onrust. Toch horen we hier bij lange na niet de massaliteit van de openingsdelen van de Derde of de Vijfde. Hierna volgt een van de meest gave langzame delen die Beethoven componeerde: we lijken hier zelfs bij de quintessens van de hele symfonie te zijn aangeland. Toch klinkt hier ook weer een onvermijdelijk mineur. Het volgende deel, Allegro molto e vivace, is een snel menuet, met behalve allerlei flitsende ritmische vondsten een prachtig trio dat tweemaal wordt gespeeld. De ongelooflijk wervelende finale heeft vele componisten, zoals bijvoorbeeld Mendelssohn, Schumann en Dvořák, verleid tot het schrijven van adembenemende orkestrale hoogstandjes. Ondanks het hoge metronoomcijfer van 160 voor de kwart schreef Beethoven: ‘Allegro ma non troppo!’ ‘Niet te snel’ dus. En dat met razende zestienden in de strijkers en verraderlijke syncopen. Ook al halen enkele fermates tegen het eind volledig de snelheid uit de noten, toch zorgen de laatste zes maten voor een tomeloze afsluiting.