Brahms Symfonie nr. 3

In mei 1883 verliet Brahms Wenen om de zomer door te brengen in de Reingause badplaats Wiesbaden, in een villa dichtbij het Taunusgebergte. Hij was vijftig, een mijlpaal die hij die maand had gevierd met zijn trouwe vrienden Theodore Billroth, Eduard Hanslick en Arthur Faber. De vrijgezel Brahms was nog niet de statige figuur zoals Otto Böhler hem in 1890 tekende in zijn 'rode egel'-silhouet. Maar ook was hij niet langer de aantrekkelijke, onhandige jongeman wiens karakter en muziek Robert en Clara Schumann hadden gefascineerd. 'Het leven hier is betoverend, net of ik Wagner probeer te imiteren!', schreef hij vanuit Wiesbaden aan Billroth. 'Het huis is oorspronkelijk gebouwd als atelier, maar werd later verbouwd tot een verrukkelijk buitenhuis, en een atelier als dit verschaft een prachtige hoge, koele en luchtige kamer.'

Joods Wenen

Wagner was drie maanden daarvoor overleden. Uit respect had Brahms de repetitie van het Gesang der Parzen stilgelegd, hoewel hij Wagners antisemitisme verwerpelijk vond en geschokt was over diens sarcastische reactie op de vernietiging van het Ringtheater. Dat ging in 1881 in vlammen op met honderden – voornamelijk joodse – slachtoffers tot gevolg. Brahms, van nature liberaal en alleen conservatief waar het zijn grondige studie betrof van de barokke vorm van Schütz-motetten tot Couperin-suites, had veel goede joodse vrienden in een steeds verdeelder Wenen. Die verdeeldheid was zelfs voelbaar in de zomerhuizen in de jaren 1880, een decennium getekend door pogroms in het Russische rijk. Voor het joodse Wenen werd niet Wiesbaden maar Bad Ischl de favoriete bestemming. Toen Brahms daar de zomer van 1889 doorbracht – zoals hij dat ook in 1880 en 1882 had gedaan – schreef Daniel Spitzer, een joodse satiricus uit Brahms' kennissenkring, dat de componist die zich aanvankelijk 'zo af en toe in joodse kringen begaf', nu het gezelschap van joden leek te prefereren boven dat van de rest van de maatschappij. Van 1889 tot 1896, zijn laatste zomer, keerde Brahms er jaarlijks terug, terwijl Wenen zuchtte onder het juk van een rabiaat conservatisme en radicalisme, zowel op artistiek als politiek vlak.


De crisis van onze tijd

Wagners dood betekende niet dat er ook een eind kwam aan het 'Wagnerisme', noch smoorde het de anti-Brahms-sentimenten van de Wagner-bewonderaars. Toen in december de symfonie in première ging die Brahms in Wiesbaden had geschreven, ging na ieder deel gefluit op onder de Wagnerianen en Bruckner-adepten. Het gerucht dat Brahms' naam afgeleid van 'Abrahamson' stak opnieuw de kop op in 1933, wat leidde tot een debat waarbij Wilhelm Furtwängler in een redevoering de Duitse authenticiteit van Brahms tegenover de 'kunstmatigheid' van Mahler plaatste (later bewerkt tot 'Brahms en de crisis van onze tijd'). Arnold Schönberg, een Weense jood die in zijn tienerjaren bekeerd was tot het lutheranisme en in 1933 in Parijs opnieuw joods werd, hield bij die gelegenheid een radiolezing getiteld 'Brahms, de Progressieve'. Brahms' progressiviteit valt lastig te verdedigen als je bedenkt dat zijn Vierde symfonie slechts twee jaar eerder tot stand kwam dan Mahlers baanbrekende Eerste. Toch hadden Schönberg en Furtwängler – vanuit diametraal tegengestelde gezichtspunten – precies die kwaliteit in Brahms' muziek belicht die Wagner verafschuwde: zijn puurheid. In de rake typering van de Britse componist Hugh Wood bestond er in Brahms' muziek – 'niet alleen groots, maar zelfs zeer goed' – 'geen conflict tussen techniek en expressiviteit'.

Indiana Jones

Die expressieve en technische zelfverzekerdheid was niet zonder slag of stoot verworven. Brahms, verpletterd door de ontvangst van zijn Eerste pianoconcert en verlamd door Schumanns voortijdige lof, was 43 toen hij zijn Eerste symfonie voltooide, die al snel de bijnaam 'Beethovens Tiende' kreeg. Zeven jaar later onderging zijn Derde hetzelfde lot. Dirigent Hans Richter noemde het werk Brahms' 'Eroica'; Brahms' vriend en biograaf Max Kalbeck doopte het diens 'Germania'. Clara Schumann hoorde een betoverd woud in de muziek. Korter geleden wist musicologe Susan McClary de mannelijkheid van Indiana Jones, Strauss' Don Juan en Liszts Faust in de partituur aan te wijzen; Brahmsexpert David Brodbeck vond een verwijzing naar de Venusbergmuziek uit Tannhäuser. Is de Derde dan misschien Brahms' Wagnersymfonie?

Kijkend naar de plaats waar Brahms de symfonie schreef - Wiesbaden - en haar grote gelijkenis met de mannelijke vervoering van Schumanns Symfonie in E mineur, zou de Derde wel eens Brahms' 'Rheinische' kunnen zijn, of zijn 'Alpensymfonie' – Brahms had immers zelf gezegd dat het openingsthema gebaseerd was op een juchezer uit Berchtesgaden. Of draagt de Derde iets intiemers in zich, misschien het zelfportret van een middelbare vrijgezel? Brahms – die verliefd was geworden op Clara Schumann maar zich terugtrok op het moment dat ze samen verder konden, en die in grote lijnen hetzelfde deed bij Agathe von Siebold in 1859 – was nog altijd verzot op vrouwelijk gezelschap. Voor zijn lichamelijke noden kon hij terecht bij de Weense prostituees, maar zijn romantische behoeftes bleven onvervuld. Het brengt Böhlers 'egelsilhouet' opnieuw in gedachten, en ook de spotprent van Hanslick zwaaiend met een wierookvat aan de voet van een standbeeld van de 'Heilige Johannes'. Beide illustraties werden gemaakt in 1890, Brahms was pas 57.

O liebliche Wangen

In de zomer van 1883 was Brahms' baard al aan het grijzen, een handige vermomming (of verdediging) voor een rusteloos hart. Wiesbaden bood meer dan een pittoresk landschap en een stille werkkamer waar hij aan zijn koffie kon nippen, de ganzenveren waarmee hij nog altijd graag schreef door zijn vingers kon laten gaan, en zijn sigaren kon roken. Wiesbaden bracht hem de jonge alt Herminie Spies. In juli zong ze onder leiding van de componist in Koblenz de Altrapsodie, Brahms' onheilspellende huwelijksgeschenk aan Julie Schumann. Het jaar daarop voerde ze het nog twee keer uit. Herminies carrière, nog uiterst pril, zou onlosmakelijk verbonden raken met Brahms, al verwierp ze in een brief woedend de suggestie van een vriend dat Brahms verliefd op haar zou zijn: 'Ik weiger ten enen male die verantwoordelijkheid te accepteren. Ik zou niet weten hoe ik me in dat geval zou moeten gedragen... Hij weet niet hoe klein ik me voel, in intellectuele zin, vergeleken met hem.' Brahms maakte in zijn brieven aan de dichter Klaus Groth ondertussen plagerige toespelingen op zijn 'Herminchen', en droeg zijn liederen Wie Melodien zieht es mir leise durch den Sinn en Komm bald aan haar op. In haar korte carrière bracht de zangeres een serie Brahmsliederen in première – Heimkehr, Bitterer zu sagen, O liebliche Wangen, Der Überläufer, Der Jäger, Vorschneller Schwur, Immer leiser wird mein Schlummer en Mädchenlied – waarna ze in 1892 een rechter trouwde, Walter Hardtmuth, en het jaar daarop stierf, waarschijnlijk aan de gevolgen van kraamkoorts.

Herminie Spies was niet het enige mooie meisje in Wiesbaden. Leontine Chledowska, die een stapel brieven van Brahms bewaarde tot haar dood in 1955, beweerde hem daar te hebben ontmoet en ten huwelijk te zijn gevraagd door de componist, al zijn daar geen bewijzen van.

Meisjesachtige bekoorlijkheid

Welke jonge vrouw de aandacht van de vijftigjarige componist ook heeft gevangen, de Derde symfonie wordt gekenmerkt door een opvallende intimiteit. Het hoog oprijzende Allegro non troppo, het weelderige Andante, het elegante Poco allegretto en de uiterst dynamische finale met zijn plotse zwenkingen van licht naar donker – allemaal eindigen ze zacht, de eerste drie delen piano, het laatste pianissimo, een amper hoorbare ademtocht. McClary mag het werk dan mannelijk vinden, dit zijn vrouwelijke afsluitingen, fijntjes en zorgvuldig geparfumeerd.

Brahms' Derde is in zijn compactheid, meer nog dan zijn eerdere en latere symfonieën, bovendien menselijker. Moed, speelsheid, meisjesachtige bekoorlijkheid, agitato hartstocht en mateloze droefheid bevolken het eerste deel, dat zijn heroïsche karakter hervindt in een heldere sequens van de hoorns, als om al te veel openheid uit de weg te gaan.

Onstuimig

In het Andante worden het onbekommerde en het zorgelijke tegenover elkaar geplaatst en vervolgens verwoven in elkaar kruisende ritmes zo onstuimig als een kus, terwijl de melodie van het Poco allegretto dezelfde verleidelijkheid laat horen als Brahms' liefdesliederen.

Zelfs de atletische finale, met zijn strenge triolenbewegingen, zijn beladen staccato's voor hout en blazers en zijn verzengende sforzando's, lost op in tederheid met een frase voor gedempte altviolen, die de uiteindelijke rust kleurt met berouw.

Pure liefde

Van Brahms' collega's was het vooral Antonín Dvořák, Brahms' Boheemse protegé, die de bijzondere kwaliteiten van de Derde symfonie het scherpst opmerkte - zijn eigen muziek was doordesemd van eenzelfde tederheid. In oktober 1883 schreef Dvořák een brief aan de uitgever Fritz Simrock: 'Een paar dagen terug was ik in Wenen, waar ik een aantal geweldige dagen doorbracht met Dr Brahms, die net terug was uit Wiesbaden. Ik heb hem nog nooit zo gelukkig gezien. Mijn verzoek om een stukje van zijn nieuwe symfonie te horen honoreerde hij meteen. Zonder overdrijven kan ik zeggen dat dit werk zijn beide eerdere symfonieën overtreft, misschien niet in grootsheid en expressieve monumentaliteit, maar toch zeker in schoonheid! Het heeft een gemoedstoestand die je niet vaak tegenkomt bij Brahms. Wat een lieflijke melodieën! Pure liefde is het, en als je het hoort, smelt je hart.' Of die liefde voor Herminie Spies bestemd was, voor de uitlopers van het Taunusgebergte of simpelweg voor de orde en geneugten van de symfonische traditie – we zullen het nooit weten.

Anna Picard
Vertaling: Janneke Boeser