Brahms Tragische Ouverture

Brahms’ Tragische ouverture functioneerde als ernstig gestemde tegenhanger van de vrolijke Akademische Festouvertüre, die eveneens in de zomer van 1880 tijdens een aangenaam verblijf van de componist in Bad Ischl werd geschreven. Het was niet Brahms’ gewoonte om instrumentale werken van een buitenmuzikale betekenis te voorzien. De zorgvuldig gekozen kwalificatie ‘tragisch’ betekent dan ook niet dat het werk een specifiek ‘programma’ zou bezitten. Ondanks Brahms’ goede zomer is de ouverture somber van sfeer.

De toonsoort van de compositie, D mineur, werd in de late achttiende en de negentiende eeuw geregeld geassocieerd met het noodlot, zo ook in Brahms’ sololiederen, zoals bijvoorbeeld Denn es geht dem Menschen wie dem Vieh uit de Vier ernste Gesänge. Zo klinken de fortissimo begin-akkoorden van de Tragische ouverture als mokerslagen van het lot. Het bewogen thema dat daarop aansluit, leidt een grote themagroep van symfonische allure in. Daarna volgt een breed motief in trombones en tuba, dat aan een romantisch, zangerig tweede thema in de strijkers voorafgaat. Dan volgen imposante, maar grimmige gepuncteerde figuren. Na de terugkeer van het eerste thema ontwikkelt zich hieruit in de doorwerking een ietwat dansachtig staccatomotief. Maar noch dit, noch de terugkeer in majeur (altviolen) van het melodieuze tweede thema kan een somber slot aan deze grootse ouverture afwenden.

Henriëtte Sanders