Britten Les illuminations

Op reis door een droomwereld

Van de drie liedcycli die Britten componeerde – Les Illuminations, Zeven sonnetten van Michelangelo en de Serenade voor tenor, hoorn en strijkers – noemt Ian Bostridge Les Illuminations zijn meeste dierbare: ‘Het heeft me destijds nogal wat tijd en moeite gekost om me de partituur eigen te maken, nu is het een van de werken waar ik me het best in thuis voel, ondanks de duistere, vaak ondoorgrondelijke teksten van Arthur Rimbaud.’

‘De enige twee componisten die zich daaraan gewaagd hebben, zijn Benjamin Britten en Hans Werner Henze. Geen Fransman heeft het aangedurfd. Frans is niet per se mijn favoriete taal om te zingen, al was het wel een verplicht vak op school en is het idioom me dus niet vreemd. Maar je moet een manier vinden om je stem aan te passen aan de klanken. Als je naar grote Franse zangers uit het verleden luistert, naar iemand als Pierre Bernac bijvoorbeeld, dan versta je ieder woord, je zou er bij wijze van spreken een dictee van kunnen maken. Het is heel moeilijk om zó Frans te zingen. Daar komt nog bij dat Les Illuminations door een Engelsman op muziek is gezet, waardoor er nogal eens iets misgaat met de klemtonen. Dat valt Britten overigens niet kwalijk te nemen: zelfs Schubert offerde de juiste klemtoon nog wel eens op omwille van de melodie. Het zijn wonderlijke teksten, door Rimbaud deels geschreven in de tijd dat hij en zijn minnaar Verlaine in Londen verbleven, waar ze Frans onderwezen om aan de kost te komen. Les Illuminations zit dan ook vol Engelse woorden en zelfs hele zinnen. Het is een hybride stuk, heel surrealistisch en evocatief, je maakt als het ware een emotionele reis door een droomwereld. Als zanger heb je een emotionele respons op de muziek en die moet je overdragen. Je vertelt geen letterlijk verhaal, maar neemt de luisteraar wel mee op een emotionele reis.’

Het is waarschijnlijk dat Britten de teksten koos vanwege hun erotische lading, die paste bij zijn eigen geaardheid. Bostridge: ‘Er is in het stuk sprake van een dubbele seksuele interesse, maar ook van een grote nostalgie. Het laatste gedicht, Départ, is te lezen als een vaarwel aan de oude wereld, meer specifiek als een afscheid van het leven als bohemien.’

‘In Les Illuminations komt twee keer de geheimzinnige frase voor ‘J’ai seul la clef de cette parade sauvage’ (‘Alleen ík bezit de sleutel van deze woeste parade’). Britten tilt die zin eruit omdat hij het als een woordgrap ziet. Als een soort strijd tussen twee toonsoorten, snelle wisselingen van tonaliteit, daar heeft alleen hij, de componist, de sleutel van. Maar het kan ook zijn dat de dichter bedoelt dat zijn woorden zo duister en mysterieus zijn, dat alleen hij – of de componist die ermee aan de haal gaat – ze kan begrijpen.’

Uit Rimbauds prozateksten en gedichten koos Britten er een beperkt aantal, die onderling weinig samenhang lijken te hebben. Ook muzikaal variëren de afzonderlijke liederen sterk van sfeer, tempo, toonsoort en lengte. Toch werkt het volgens Bostridge als een cyclus, dankzij Brittens briljante toonzetting. Hoewel oorspronkelijk geschreven voor sopraan, paste de cyclus goed bij de stem van Brittens levenspartner, de tenor Peter Pears, die hij al kende toen hij Les Illuminations schreef. Bostridge: ‘Het klinkt aardser als een tenor het zingt. De mannenstem is geschikter voor die typische vaudeville-achtige kant van het werk. Wel jammer dat wij niet over een borststem beschikken – in het begin van het lied Parade zit een lage G, die haal ik soms met moeite, een sopraan schiet dan makkelijk de borststem in. Voor een dergelijk stuk is het goed af en toe te rade te gaan bij een ander soort zanger, voor mij is dat bijvoorbeeld Bob Dylan. Niet om te imiteren, dat zou verschrikkelijk zijn, maar om een bepaalde sfeer te creëren. Ik denk dat het in het algemeen goed is om bruggen te slaan tussen verschillende stijlen.’

‘Vocaal is het geen gemakkelijk stuk, maar ik heb het nu zo vaak gezongen dat ik me niet meer kan voorstellen wat er ooit moeilijk is geweest. Ik weet hoe ik de moeilijkheden moet aanpakken om het goed te zingen.’

Interview: Henriette Posthuma de Boer