Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Bruckner Symfonie nr. 5

De premières van de Vijfde symfonie

Anton Bruckner heeft zijn Vijfde symfonie nooit zelf in de orkestversie gehoord. Ten tijde van de allereerste uitvoering, in Graz op 9 april 1894, lag hij in Wenen ziek in bed. Bruckner was toen 69. Zijn hart liet hem in de steek. Andere uitvoeringen volgden in Boedapest, Praag en München, maar pas op 1 maart 1898, twee jaar na Bruckners dood, zou ook Wenen met de Vijfde kennismaken.

De symfonie had tot die eerste uitvoering bijna 18 jaar op de plank gelegen. In mei 1876 was de partituur al grotendeels voltooid. Bruckner was er zeer tevreden over. Hij zou met trots spreken over zijn ‘kontrapunktisches Meisterstück’, doelend op de ingewikkelde structuur van de Finale; in zijn inaugurele rede als lector aan de Weense universiteit, in april van dat jaar, had hij al uitvoerig gesproken over het belang van de studie van harmonie en contrapunt. Hij voegde daar wel aan toe dat die studie op zich niet voldoende was; een componist moest de theorie wel tot leven kunnen brengen. Hij citeerde Goethe: ‘Grau ist jede Theorie - Nur grün des Lebens goldner Baum.’

Opvattingen over de symfonie

De Vijfde heeft niet – zoals de Vierde – een ‘verhaal’, al heeft de symfonie in de loop der tijd nogal wat titels gekregen: de ‘Tragische’, de ‘Pizzicato’, de ‘Kathedraal van Geloof’. Bruckner ondervond ten tijde van het componeren nogal wat moeilijkheden – een rechtszaak, problemen met zijn salaris – maar de symfonie is niet per se een werk van stormachtige onrust. Het is vooral een ‘doorwerkte compositie’, een hoogstandje van complexe contrapuntische structuur.

Er wordt wel eens beweerd dat Bruckner negen keer dezelfde symfonie schreef en hoewel dat natuurlijk niet zo is zijn er vanaf de Derde, waarin hij zijn vorm had gevonden, in de grote lijnen wel overeenkomsten aan te wijzen. Zo bezien past de Vijfde naadloos in het complete oeuvre. Ze duurt net als de meeste Brucknersymfonieën lang: gemiddeld 75 minuten. Verder bestaat de Vijfde net als alle andere Brucknersymfonieën, behalve de onvoltooide Negende, uit vier delen. Het eerste deel – zonder uitzondering in een zeer uitgebreide sonatevorm – begint altijd zacht en bouwt stap voor stap op naar een climax. Karakteristiek zijn de massieve blokken muziek die Bruckner componeert; binnen de delen worden er steeds muzikale eenheden afgerond en vervolgens begint er iets wat met het vorige contrasteert. Deze blokken vormen de bouwstenen van een groter geheel, dat pas aan het eind van de symfonie zichtbaar wordt.  Het tweede en derde deel zijn afwisselend langzaam en snel. Het langzame deel is meestal een lang uitgesponnen variatie op twee thema's, ook hier uitmondend in een climax. Het snelle deel, het Scherzo, is een afwisseling tussen obsessieve, soms zelfs agressieve muziek en wat langzamere die aan gemoedelijke volksdansen doet denken. Het laatste deel is meestal ook in uitgebreide sonatevorm en laat vaak thema's uit eerdere delen terugkomen. In de finale van de Vijfde is het een enorme dubbelfuga waarmee de componist zijn contrapuntisch vernuft bewijst.

De dirigent Eugen Jochum, vele jaren verbonden aan het Concertgebouworkest, kende de Vijfde zeer goed. Hij schreef over de uitdagingen, die de symfonie aan de dirigent en het orkest stelde: ‘De climax komt in het laatste deel maar pas in het allerlaatste stuk daarvan, het koraal. Het eerste, tweede en derde deel lijken alleen maar een soort enorme voorbereiding op dat moment. Dat voorbereidende karakter is vooral aan de orde in het eerste deel, waarvan de introductie een grootschalig fundament is, bedoeld om het gewicht van alle vier delen te dragen.’ Volgens Jochum moet een dirigent dus alles in de richting van de Finale en het einde daarvan voortstuwen, en altijd iets in reserve houden voor de grootse conclusie.

Kolossale finale

Officieel geldt 4 januari 1878 als de datum waarop de Vijfde voltooid was. Bruckner vroeg toen toestemming om het werk op te dragen aan de Minister van Eredienst en Onderwijs, Karl Edler von Stremayr, die hem financieel had ondersteund. Het kwam niet tot een uitvoering. Stremayr vroeg een paar jaar later of de symfonie misschien in een versie voor piano vierhandig bij hem thuis kon worden gespeeld, maar zijn dochter werd ziek en de uitvoering moest worden uitgesteld.

Pas in 1887 was de muziek voor het eerst te horen. Bruckners trouwe supporter Franz Schalk - violist, dirigent, later operadirecteur - maakte toen een uittreksel voor twee piano’s, en wilde dat door zijn broer Josef en Franz Zottman laten uitvoeren. Dat schoot Bruckner in het verkeerde keelgat. Hij verzette zich, verbood het concert (hoewel de affiches al waren gedrukt), dreigde zelfs met de politie; door bemiddeling van de criticus Theodor Helm werd het conflict gesust, en het concert ging door. Helm was niet onder de indruk. Hij had wel begrepen dat Bruckner hier een ‘contrapuntisch meesterstuk’ in Mozartiaanse trant had willen afleveren, maar schreef: ‘Mozart, de man van de symmetrie, van de mooie artistieke maat, zou Bruckners kolossale finale met de helft hebben bekort.’

‘Verder mag men niet ingrijpen’

Hier openbaarde zich iets wat bij andere symfonieën van Bruckner ook aan de orde was gekomen: de partituur was te gecompliceerd en te omvangrijk om zomaar met een orkest uit te voeren. Josef Schalk had zijn zinnen gezet op een uitvoering, mogelijk met Ferdinand Löwe als dirigent en Franz Schalk nam daarop in 1892, zonder dat Bruckner er zelf toezicht op hield, de partituur van de Vijfde onder handen, een werk dat vele maanden in beslag nam. Hij schreef in juli aan zijn broer: ‘Mijn werk aan de Vijfde vordert langzaam maar gestaag. Op dit moment ben ik bij de slotmaten van het eerste deel. De doorwerking was van enorme moeilijkheid; Löwe zal er weinig genoegen aan beleven, daar ik het handhaven van alle contrapuntische nevenmotieven tot hoofdprincipe heb gemaakt. Verder mag men, zo meen ik, niet ingrijpen.’ Een jaar later, in juli 1893, naderde de ‘doorwerking’ zijn einde. Franz: ‘De finale van de Vijfde heb ik nu pas helemaal leren begrijpen.’ Pas op 23 november konden de Schalks Bruckner eindelijk een uitvoering in het vooruitzicht stellen.

Franz Schalk schreef dan wel dat zijn aanpassingen beperkt waren, maar zijn werk had de oorspronkelijke partituur ingrijpend gewijzigd. Een aanzienlijk deel van Bruckners oorspronkelijke materiaal was onbruikbaar geworden, veranderd, weggelaten; in de finale had Schalk zelfs 122 maten geschrapt. Bij de uitvoering zou Bruckner die veranderingen natuurlijk meteen ontdekken, maar de broers gingen ervan uit dat de symfonie een zodanig groot succes zou zijn dat Bruckner de bewerking met vreugde zou accepteren. Schalk vond bijvoorbeeld dat de symfonie zoveel van de koperblazers vroeg, dat ze in het slotkoraal in de finale niet meer met volle kracht konden spelen. Hij voegde voor de première elf (!) blazers toe. Ook bij de publicatie van de partituur was Bruckner niet betrokken, en hij bleef dus onkundig van de grote wijzigingen die zijn origineel had ondergaan.

‘Gelukzalig wandelend’

Op 9 april 1894 vond uiteindelijk in Graz de wereldpremière plaats. Bruckner was te ziek om erbij te zijn. Franz Schalk schreef daags erna aan Bruckner:

‘Verehrtester Meister!

U zult zeker al mondeling bericht hebben ontvangen over de ongekende werking die uw grote heerlijke ‘V’ hier opriep. Ik kan hier slechts aan toevoegen dat de avond voor de rest van mijn leven tot de heerlijkste herinneringen zal tellen, die mij ooit deelachtig zouden kunnen worden. Diep gegrepen, gelukzalig in de velden van eeuwige grootte wandelend, voelde ik mij. Van het verpletterende geweld van de Finale kan niemand zich een voorstelling maken die het niet heeft gehoord.

Daarom leg ik, mijn innig vereerde meester, dus de grootste som van al mijn bewondering en innigste geestdrift aan uw voeten en breng een saluut aan hem die zoiets schiep.

Uw u diep dankbare
eeuwige trouwe

Francisce

Bruckner schreef uit Wenen terug:

Heissgeliebter Freund!

Amper mag ik enige uren uit bed blijven, of met stormachtig geweld word ik gedwongen, u mijn hart te openen, dat hart waarvan ik zoveel last heb, omdat het mij sinds Pasen de adem doet stokken.

Neemt u mijn diepste bewondering voor uw buitengewone kunst en mijn onuitsprekelijke dank voor zo’n grote, grote moeite in ontvangst. De kroon voor deze roem zal voor u zeker niet uitblijven! God zegene u, hoogedele geniale kunstenaar!!!

Hoe smartelijk ik de zo grote vreugde, aanwezig te kunnen zijn, mis, kan ik nooit beschrijven. De Wagnerverein hier heb ik al op het hart gedrukt, dat u de Vijfde in Wenen zou moeten dirigeren! (De hoofdpersonen zijn er al akkoord mee.) Eens zou ik haar ook willen horen.

Voortreffelijke, geniale kunstenaar, mijn duizendvoudige dank en grootste bewondering!!!

Uw oude vriend Bruckner
Wenen, 12 april 1894

PS. Ik moet weer naar bed!’

Geen vijanden

De euforie was een beetje overdreven, want de ontvangst was zuinig. De criticus Julius Schuch: ‘Karakteristiek voor de ‘’Zukunfts Symphonie’’ in Bes, zoals ik haar zou willen noemen, is het episodenachtige in haar opbouw. Het werk scheen mij bijna een muzikaal dagboek van een geestrijke geniale kunstenaar, die zijn verschillende stemmingen in interessante trekken schildert.’ De tweede uitvoering, in Boedapest in 1895, was ook al niet zo’n succes. Ferdinand Löwe dirigeerde. Josef Schalk schreef aan Franz: ‘Het orkest muitte tegen de symfonie en alleen door de grote bemoeienis van de bedachtzamen, in het bijzonder van Gianicelli (bassist in het orkest) werd het ten slotte toch een eenheid. Publiek en kritiek reageerden ook overwegend negatief.’

Koen Kleijn