Bruckner Symfonie nr. 7

‘Het Probleem Bruckner’ is onder musicologen een permanente bron van discussie. In Bruckners tijd konden zelfs zijn trouwste supporters maar moeilijk wennen aan de eigenaardigheden in zijn muziek. Hun goedbedoelde adviezen werden door de onzekere componist net iets te vaak ter harte genomen en de gedrukte eerste uitgaven waren vaak door bevriende dirigenten 'uitvoeringsklaar' gemaakt. Daarnaast bedacht Bruckner zelf soms jaren later dat er nog revisies nodig waren aan symfonieën die al waren uitgegeven. Om een eind te maken aan al die versies waren er in de 20ste eeuw musicologen die met hún versies van de waarheid er weer een schepje bovenop deden. Kortom, de hoeveelheid verschillende versies van de symfonieën is op zijn minst onoverzichtelijk. Dat dwingt muziekliefhebbers, dirigenten en orkesten van vandaag keuzes te maken.

Ondanks het feit dat de Zevende van alle Brucknersymfonieën de enige is, die zonder noemenswaardige problemen tot stand kwam en succesvol in première ging, is ook hier het ‘Probleem Bruckner’ van kracht. Tijdens de repetities voor de première adviseerde de charismatische Hongaarse dirigent Arthur Nikisch bijvoorbeeld om bij de climax van het Adagio (hier op 37'28") bekkens en triangel in te zetten. Thans kan er dus gekozen worden uit de originele versie, die van Robert Haas (zonder het slagwerk) en die van uitgever Gutmann en Leopold Nowak (mét slagwerk). Er zijn ook dirigenten die voor de Nowak-versie kiezen, maar het slagwerk achterwege laten. Volgt u het nog? De versie die hier door Mariss Jansons wordt gedirigeerd is overigens die van Nowak, mét slagwerk.

Net als in zijn Derde symfonie is Bruckners afgod Wagner in de Zevende niet ver weg. Het verpletterend mooie Adagio (vanaf 20'57") viel hem in toen hij dacht aan Wagners slechte gezondheid: "Eens kwam ik naar huis en was zeer bedroefd. Ik dacht bij mijzelf, de meester kan onmogelijk nog lang leven. Toen viel mij het Adagio in Cis in." Wagner overleed inderdaad twee weken later. Bruckner verwerkte in de symfonie vier Wagnertuba's, instrumenten die Wagner speciaal voor zijn Der Ring des Nibelungen had laten bouwen en die Bruckner tijdens de Bayreuther première van 1876 gehoord moet hebben. Hun volumineuze geluid (zoals meteen aan het begin van het Adagio) zal het toenmalige publiek zeker hebben geassocieerd met de overleden componist.

Na de dood van de meester kon Bruckner bijna niet anders dan de partituur opdragen aan Lodewijk II van Beieren; de excentrieke koning was net zo verzot op Wagner als hij en financierde bijvoorbeeld de bovengenoemde Ring-tetralogie en het Bayreuther Festspielhaus.