Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Bruckner Symfonie nr. 9

Zijn Zevende symfonie droeg hij op aan koning Ludwig II van Beieren, zijn Achtste aan keizer Franz Joseph van Oostenrijk. Waarna Anton Bruckner zijn Negende symfonie ‘an den lieben Gott’ wijdde, zodat hij met zijn laatste grote werk nog eens zijn belangrijkste inspiratie onderstreepte.

Voor kerkmuziek leek hij in de wieg te zijn gelegd. Des te opmerkelijker is het dat zijn belangstelling daarvoor sterk afnam nadat hij van Linz, waar hij als organist furore had gemaakt, naar Wenen was verhuisd. Maar al werd de symfonie zijn levenswerk, het sacrale was onlosmakelijk met zijn kunst verbonden. Dit laatste maken de vele plechtige, koraalachtige melodieën en de citaten uit zijn religieuze koorwerken wel duidelijk.

Er valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat Bruckner in de religie troost en zingeving zocht om zich te verschansen tegenover de boze buitenwereld. Al werd hij als componist op gevorderde leeftijd zeker gerespecteerd, privé zagen weinig mensen hem voor vol aan vanwege zijn onhandigheid en zijn naïviteit. Ex-studenten van de universiteit in Wenen wisten te vertellen dat hun excentrieke leraar zodra hij een kerkklok hoorde de les onderbrak om te bidden. Van het dagelijks leven om hem heen begreep hij niet veel meer dan van Wagners Ring des Nibelungen (naar verluidt vroeg hij ooit na een opvoering van Götterdämmerung aan de dame die naast hem zat ‘waarom die vrouw wordt verbrand?’). Het veiligst voelde hij zich boven in de kerk achter de klavieren van het orgel, bij uitstek de plaats om in contact te komen met de Allerhoogste.

Energie

In zijn boek over de symfonieën van Bruckner schrijft de Britse componist en essayist Robert Simpson: ‘The essence of Bruckner’s music, I believe, lies in a patient search for pacification’. De auteur merkt op dat symfonieën van de meeste romantische componisten slagvelden vol wanhoop, vechtlust en stress zijn. Zij laten de luisteraar na het slotakkoord verbluft achter met het gevoel dat het leven van de toondichter zelf in de muziek als strijdtoneel is uitgebeeld (wat vaak ook klopte). Zo niet in het geval van Bruckner, de minst romantische van alle romantische componisten. Bezield maar onpersoonlijk is zijn muziek, waarin door middel van een rustige opvolging, opstapeling en ontwikkeling van thema’s en motieven naar een machtige apotheose wordt toegewerkt. Het eerste deel van de Negende symfonie is een indrukwekkend voorbeeld daarvan. Voor de Finale, wanneer hij die had kunnen voltooien, had vermoedelijk hetzelfde gegolden.

Acht jaar lang, vanaf 1887, liep hij rond met plannen, schetsen en ontwerpen voor zijn Negende (die eigenlijk zijn elfde is, als we de twee ongenummerde vroege symfonieën meerekenen). Hij koos er zijn ‘Lieblingstonart’ D mineur voor, die hij associeerde met ‘mysteriös’, ‘majestätisch’ en ‘feierlich’. D mineur is ook de toonsoort van Ludwig van Beethovens Negende symfonie. Wellicht voelden zijn Weense tegenstanders, ofwel de Wagner-haters rond de gevreesde criticus Hanslick, zich daardoor geprovoceerd. Maar niets bij de goedmoedige Bruckner wijst op dit laatste. Eerder was het zo dat het getal 9 (‘afscheidssymfonie’) hem angst inboezemde.

Hij leek de opgave waarvoor hij zichzelf geplaatst had te willen ontvluchten. Door in die lange ontstaansperiode ook enkele vroegere symfonieën te reviseren en bovendien een aantal koorwerken te schrijven vond hij telkens weer een reden om zijn Negende weg te leggen. Met als gevolg dat het werk een torso is gebleven.

Model

Dat hij Beethovens Negende als model heeft gezien valt moeilijk over het hoofd te zien. Ook bij Bruckner begint het werk als het langzaam ontwaken van een reus. Op de tast gaat de muziek in dit eerste deel vanuit een vibrerend continuüm op zoek naar haar definitieve vorm, die haar bestemming zal krijgen in een majestueuze coda. Net als in het geval van Beethoven volgt hierop een fel, scherp geaccentueerd Scherzo dat niets heeft van de vriendelijke boerendansen die men van enkele vroegere symfonieën van Bruckner en zijn tijdgenoten kent. En net als bij de componist uit Bonn klimt de muziek in het Adagio naar een niveau dat in andere werken slechts sporadisch is bereikt. Het is speciaal dit deel, met zijn mysterieuze diepte, wijde, soms desolate intervallen en schurende dissonanten, dat hele generaties componisten na Bruckner heeft verbaasd en gefascineerd en dat velen, onder wie Schönberg, heeft beïnvloed. Na het laatste pizzicato in maat 243 blijft het stil en kunnen de instrumenten worden opgeborgen.

“Als de lieve God me maar toestaat dit werk af te maken”, moet hij hebben gezegd tegen zijn arts toen het daarvoor eigenlijk al te laat was. Dat hij juist zijn laatste symfonie, waarin hij de apotheose zag van zijn kunst, geen finale kon geven heeft hij als een ernstig persoonlijk falen ervaren. Zijn Te Deum uit 1884 zou die plaats kunnen innemen, heeft hij kort voor zijn dood gezegd. Dat moet op een moment van vertwijfeling zijn geweest. Want een tragisch werk in d mineur afsluiten met jubelende muziek in C majeur was moeilijk voorstelbaar bij een componist met zoveel ‘architektonisches Ordnungsdenken’. Overigens hebben sommige dirigenten inderdaad voor deze ‘oplossing’ gekozen, tot ontevredenheid van talloze Bruckner-specialisten.

Met de finale die hem voor de geest stond is Bruckner wel ver gekomen. Er bestaan zelfs zes incomplete maar omvangrijke ontwerpen van zijn hand. Voldoende in elk geval voor sommigen om het werk alsnog te voltooien. Maar die versies hebben zich niet of nauwelijks kunnen handhaven, al is er een waarvoor Simon Rattle – opname met de Berliner Philharmoniker – een vurig pleidooi houdt. Het bewaard gebleven materiaal voor het slotdeel maakt duidelijk dat deze symfonie in complete vorm ongetwijfeld nog omvangrijker was geworden dan Bruckners Vijfde of Achtste. Achteraf gezien is het een groot geluk dat de componist het Scherzo als tweede en niet als derde deel heeft geconcipieerd. Men stelle zich voor hoe het effect was geweest wanneer dit Scherzo als slotdeel had gefungeerd, klinkend als een grimmige grap na de geheimzinnige verstilling van het Adagio (naar verluidt heeft Willem Mengelberg ooit inderdaad de volgorde omgedraaid door niet het Adagio maar het Scherzo als laatste deel uit te voeren).

Bruckner had, zoals andere partituren van zijn hand tonen, in het slotdeel deuren kunnen openen die in de voorgaande delen nog gesloten waren gebleven. Dit wil niet zeggen dat deze symfonie door haar onvolledigheid aan artistieke betekenis heeft ingeboet. Het werk blijft intrigeren en vragen oproepen, net als de Unvollendete van de componist aan wie hij zoveel te danken had en met wie hij zich zo sterk verwant voelde: Franz Schubert.

Aad van der Ven