Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Dave Sinardet

 

Muziek en Europa

Dave Sinardet
Dave Sinardet

 

Over heel Europa en tot ver daarbuiten leidden de Parijse terreuraanslagen in 2015 tot uitingen van solidariteit met de slachtoffers en van afschuw voor het barbaars geweld. De symbolen die daarvoor werden gebruikt waren meestal die van de Franse natiestaat: de vlag en de hymne. Van officiële monumenten tot persoonlijke facebook-profielen, in de hele wereld werden ze getooid in de Franse kleuren. De Marseillaise werd aangeheven in vele wereldsteden waaronder Berlijn, Rome, Kopenhagen, Madrid, Dublin en zelfs Londen.

Omdat men solidariteit met (vooral) Franse slachtoffers wou tonen was de keuze voor het Franse volkslied niet onbegrijpelijk. Toch schuilt er een zekere paradox in het uitdrukken van afkeer voor moordende aanslagen door het zingen van een militaire mars waarvan de tekst oproept om het onzuivere bloed van de tegenstander te laten vloeien. En in de keuze voor een nationale hymne om bij uitstek grensoverschrijdende gevoelens van verbondenheid te symboliseren.

Om waarden als humanisme, broederlijkheid en vrede te vertolken evenals solidariteit met (Franse) slachtoffers over de Europese grenzen heen was de Ode an die Freude van Beethoven wellicht een geschiktere keuze geweest. Dat het officiële Europese volkslied desondanks die rol niet is gaan vervullen na zo’n dramatische gebeurtenissen suggereert dat de Europese culturele symbolen nog niet dezelfde kracht of vanzelfsprekendheid bezitten als hun nationale tegenhangers.

Velen waren en zijn er nochtans van overtuigd dat gemeenschappelijke symbolen en cultuur het Europees eenheidsgevoel kunnen versterken. Zeker aan (klassieke) muziek werd al vaak een Europese missie toegeschreven. Is het immers niet de verbindende kunstvorm bij uitstek die grenzen overstijgt en zo een belangrijke bijdrage kan leveren aan de vorming en versterking van een Europese identiteit? Het roept de ruimere vraag op hoe cruciaal de rol van cultuur kan en moet zijn in het Europese project.

Het bestaan van één Europese cultuurgemeenschap was alvast voor opera-intendant Gerard Mortier zowel de basis als de motor van de Europese integratie. Dat alle belangrijke kunstrichtingen de Europese grenzen overstijgen toonde voor hem aan dat de Europese identiteit geen uitvinding is van Eurocraten maar een historische en actuele realiteit. Eén die niet in het minst vorm heeft gekregen via de klassieke muziek.

Verschillende grote componisten worden dan ook geregeld aangehaald als de verzinnebeelding van Europese eendracht. In de eerste plaats natuurlijk Beethoven. Onder andere de Belgische pianist Julien Libeer ziet in hem en in zijn werk de ultieme drager van de Europese identiteit. Een status die de Europese instellingen in 1985 officialiseerden door de keuze voor de finale van zijn negende symfonie als officiële hymne.

Maar ook in andere componisten kan men de Europese gedachte ontwaren. Bach bijvoorbeeld, zoals mooi wordt verbeeldt in de film Die Stille vor Bach door regisseur Pere Portabella die de componist representeert als een pan-Europees icoon, dat de nationale grenzen doorbreekt. Musicoloog Alfred Einstein vroeg zich dan weer af aan welke natie men Handel kan toeschrijven: aan Duitsland, waar hij geboren is, aan Italië dat zijn stijl vormde of aan Engeland dat zijn kunst haar ‘magnitude’ heeft gegeven?’ Een zelfde vraag valt moeilijk te beantwoorden over Mozart. Zelfs in de muziek van een nationalist bij uitstek, Richard Wagner, zag Gerard Mortier een Europese geest rondwaren, want uiteindelijk konden diens opera’s er enkel komen door de Noorse epossen.

Wie minder overtuigd is van een aparte pan-Europese cultuur en meer oog heeft voor de culturele verschillen kan Europa dan weer zien opdoemen in de polyfonie, die een mooie metafoor vormt voor de Europese eenheid in verscheidenheid. ‘Het verschil tussen de Brit William Byrd en de Italiaan Palestrina was groot, maar ze vormden wel een polyfone eenheid’, zo stelt de Nederlandse cultuurfilosoof Rob Riemen die vindt dat kunst vandaag moet helpen om die verscheidenheid bij elkaar te brengen. Ook volgens de Duitse filosoof Rudiger Safrinski bestaat de essentie van de Europese cultuur uit de vele verschillen.

Kortom: aan de Europese roeping van de muziek zijn al zeer inspirerende inzichten gewijd, voorzien van pertinente argumenten.

Bovendien getuigt het bestaan van een pan-Europees netwerk van muzikale instellingen, intussen al meerdere eeuwen, zeer tastbaar van de Europese dimensie van klassieke muziek. Of het nu het orkest of het operahuis is, ze zijn op zo’n manier gestandaardiseerd dat musici haast natuurlijk in heel Europa konden en kunnen circuleren, zoals musicoloog Francis Maes aangeeft.

En toch. Toch moeten we oppassen met de stelling dat klassieke muziek intrinsiek Europees is. Want we kunnen we er evenmin omheen dat er een band bestaat – of minstens heeft bestaan – tussen muziek en natie, vooral vanaf de romantiek. Edvard Grieg droeg bij tot de ontwikkeling van een Noorse identiteit, Chopin’s composities pasten in de strijd voor Poolse onafhankelijkheid, Béla Bartók integreerde de Hongaarse volksmuziek in zijn composities, enzoverder. Finlandia van Sibelius hoeft al helemaal geen verdere toelichting. En voor ze een officieel symbool werd van Europese eenheid, werd de negende van Beethoven doorheen haar bijna 200-jarig bestaan ook wel eens ingezet door nationale politieke strekkingen, waaronder sommige waaraan we liever niet meer herinnerd worden.

Dat alles mag niet verwonderen, want nationalisme werd in de negentiende eeuw een belangrijke ideologische stroming en het dominante politieke project. De indeling van de wereld in naties werd ook toegepast op de cultuur, die eveneens in nationale categorieën werd ingedeeld en geïnterpreteerd. Cultuur werd ook ingeschakeld om de legitimiteit van de nieuwe staten te schragen. Die bouwde immers sterk op het bestaan van zo’n natie, die dan tot uiting moest komen in gedeelde geschiedenis en waarden die onder meer via cultuur konden worden uitgedragen. Vandaar het teruggrijpen naar muzikale tradities of thema’s die de natie moesten verzinnebeelden. Via die weg kregen de ‘imagined communities’ vorm en verwierf de natie een soort natuurlijkheid of werd ze – in Gramsciaanse termen – hegemonisch. Zeker opera heeft een belangrijke rol gespeeld in projecten van natievorming in verschillende Europese landen, zoals musicologe Suzanne Aspden uitgebreid documenteert. Volgens de Amerikaanse ethnomusicoloog Philip Bohlman is nationalisme echter niet enkel een tijdelijke stroming geweest in de muziek, maar is het essentieel voor de ontologie, de ‘manier van zijn’ van Europese muziek.

Ook vandaag blijft de natiestaat de bril waarmee velen nog steeds de wereld aanschouwen, zoals ook het spontane gebruik van de Marseillaise na de aanslagen in Frankrijk aantoont. Volksliederen belichamen wellicht nog het sterkst de band tussen muziek en natie. Al kan je hierin net ook het relatieve van nationale identiteiten zien. In hun muziek en al helemaal in hun teksten kennen al die liederen die de essentie van de natie zouden moeten uitdrukken meer gelijkenissen dan verschillen. De typische nationale eigenschappen die erin bezongen worden, blijken nogal inwisselbaar. De meeste nationale hymnes scoren ook esthetisch niet bijzonder sterk. Alvast op dat vlak doet de Europese variant het beter. Maar voor heel wat mensen geven ze wel nog steeds uiting aan een nationaal gevoel.

Ook op andere manieren wordt muziek door de verschillende nationale staten nog steeds gebruikt ter symbolisering van de natie, zij het op een minder expliciet ideologische maar vaak nog wel steeds ‘banaal’ nationalistische manier, om het met het concept van de Britse socioloog Michael Billig te zeggen.

Maar nationale staten hebben daarop niet meer het monopolie. Muziek is de voorbije decennia ook expliciet ingezet ter ondersteuning van het Europese politieke project, op een manier die een beetje doet denken aan die projecten van nation building. Zoals de natiestaten van weleer, heeft ook de Europese Unie haar bestaansreden deels willen onderbouwen via een gemeenschappelijke culturele identiteit, met opnieuw een belangrijke rol voor de muziek.

Vooral vanaf de jaren 1970 ontwikkelden commissie en parlement een culturele politiek. Omdat hiervoor de juridische basis ontbrak – het verdrag van Rome uit 1957 verwees niet naar cultuur – werd dit met economische argumenten onderbouwd verwijzend naar het belang van de ‘culturele sector’. Maar het basisidee was wel degelijk dat de creatie van een gemeenschappelijke culturele ruimte voor alle Europeanen de Europese integratie kon versterken. In de jaren 1980 zorgt de commissie Adonnino voor een stroomversnelling door met een reeks concrete voorstellen te komen, waaronder het aannemen van officiële symbolen als de vlag en hymne (die eerder al die van de Raad van Europa waren). Intussen was er steeds meer sprake van een democratisch deficit en was de analyse dat dit gekoppeld was aan een cultureel deficit. De ‘European idea’ moest gaan leven bij alle Europeanen.

In het verdrag van Maastricht wordt cultuur wel expliciet opgenomen als één van de domeinen waarover de Unie zich wil ontfermen, aanvullend op de staten. Er wordt gewag gemaakt van de twee hierboven al vermelde visies op Europese cultuur: het gemeenschappelijke culturele erfgoed moet uitgedragen worden maar evenzeer de diverse culturen binnen Europa wiens eigenheid moet gerespecteerd worden. Vanaf de jaren 1990 wordt deze visie op cultuur als ‘Eenheid in verscheidenheid’ steeds dominanter, ten koste van het idee van één unieke Europese cultuur.

Muziek bekleedt in dat verhaal een belangrijke plaats. Door de jaren heen kwamen onder meer het Europen Youth Orchestra, het European Opera Centre en het Chamber Orchestra of Europe tot stand. Sommigen vinden het Europese cultuurbeleid echter te elitair en te Eurocentristisch, met weinig aandacht voor de culturen van nieuwe Europeanen.

Fundamenteler is de vraag of het Europese politieke project überhaupt een Europese identiteit en cultuur nodig heeft om te kunnen overleven?

Bestaat het risico niet dat men het Europese project probeert te onderbouwen met de premisses, de logica, de concepten, het vocabularium van de natiestaat? Die zijn weliswaar nog steeds dominant maar in het licht van de wereldgeschiedenis een vrij recente constructie die enkel in een welbepaalde historische, economische en politieke context kon uitgroeien tot hegemonisch.

Voeren Euro-enthousiasten die mordicus willen bewijzen dat Europa wél over de attributen van een natiestaat beschikt, het debat niet evenzeer in verouderde termen als Eurosceptici die mordicus willen bewijzen dat Europa niet voldoet aan die criteria van de natiestaat? Moeten we na de scheiding tussen religie en staat, ook niet naar de scheiding tussen natie en staat?

Net zoals het ontstaan van de natiestaat ooit een logisch gevolg was van maatschappelijke evoluties zoals de industrialisering, zijn er nu ongetwijfeld andere antwoorden nodig op hedendaagse evoluties als globalisering. De luxe voor het debat of we (een deel van) onze democratie wel supranationaal willen organiseren hebben we niet meer. Tenzij we er ons bij neerleggen dat we de democratische grip op een aantal fundamentele evoluties simpelweg verliezen. We moeten dus nadenken over hoe we het best democratische instellingen organiseren die aan de nieuwe noden beantwoorden. En hoe we die best legitimiteit geven.

Europese identiteit moet daarvoor geen conditio sine qua non zijn, maar evenmin een taboe. Wie kan er, behalve verstokte nationalisten, een probleem mee hebben dat mensen uit verschillende Europese landen dichter bij elkaar gebracht worden door te verwijzen naar wat ze gemeen hebben?

Sommigen zien daar echter een anti-nationaal project, zoals aan de oppervlakte kwam in de de Brexit-campagne. Britse en andere eurosceptici vinden een sterke Europese identiteit een bedreiging voor nationale identiteiten. Dat zijn ook de drijfveren die op de achtergrond spelen in de strijd van Schotse, Catalaanse of Vlaamse nationalisten tegen de Britse, Spaanse of Belgische identiteit.

Het staat echter haaks op de meerlagigheid die de identitietsbeleving van velen vandaag steeds sterker kenmerkt. Het uitdrukken en verzinnebeelden van die gelaagde identiteit is misschien een cultureel project waar de Europese Unie zich wel (nog meer) kan rond profileren. Wie weet wordt de Ode an die Freude dan ooit de evidente keuze om in moeilijke tijden verbondenheid over nationale grenzen heen uit te drukken.