Flothuis Cantus amoris

De Nederlandse componist en musicoloog Marius Flothuis (1914-2001) was voor het Koninklijk Concertgebouworkest een belangrijk man. Hij durfde in de jaren ‘30 al kritiek te uiten op de toenmalige programmering van het orkest. Als 18-jarige schreef hij de artistieke leiding van het orkest een acht pagina's tellende brief, waarin hij pleitte voor het schrappen van 'verouderde' muziek ten gunste van onbekend ouder repertoire en het vaker programmeren van nieuwe (Nederlandse) muziek. Vijf jaar later, in 1937, werd hij aangenomen als assistent van de artistieke leiding van het orkest, een baan die hij in 1942 weer verloor, omdat hij weigerde lid te worden van de Kultuurkamer.

Flothuis’ verzetswerk in de oorlogsjaren kwam hem duur te staan: hij werd veroordeeld voor verraad en zat van 1943 tot 1945 gevangen in Kamp Vught en concentratiekamp Sachsenhausen. In 1953 kon hij de draad weer oppakken: van 1955 tot 1974 was hij artistiek directeur van het Concertgebouworkest. In die functie bleef hij zijn principes uit de jaren '30 trouw, soms tegen de wens in van orkestleden en/of publiek. Vreemd genoeg hadden de Notenkrakers in 1969 (zie ook de toelichting bij Louis Andriessens Mysteriën) geen oog voor zijn vooruitstrevende beleid.

Marius Flothuis schreef zijn Cantus amoris na de onverwachte dood van zijn vrouw Roosje Voorzanger in 1978. Het werk is gecomponeerd voor strijkorkest, met een hoofdrol voor de altviolen (Roosje speelde altviool). Voor de muzikaal altijd zo beheerste Flothuis is de hoorbare ontreddering aan het einde van Cantus amoris een unicum. Overigens was Flothuis zelf erg verbaasd over het opusnummer 78. Het huisnummer van het ziekenhuis waar Roosje overleed en het jaartal waren ook 78; dit kon geen toeval meer zijn.

Deze uitvoering van Cantus amoris werd in oktober 2014 gespeeld ter nagedachtenis aan Marius Flothuis, die in die maand 100 jaar zou zijn geworden.