Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Haydn Celloconcert nr. 1

Dat het Celloconcert in C majeur van Haydn pas in de tweede helft van de twintigste eeuw door de Tsjechische musicoloog Oldrich Pulkert werd ontdekt, is eigenlijk vreemd. Net zoals het vreemd is dat Haydn nog steeds niet helemaal voor vol wordt aangezien als componist van soloconcerten. De reden is misschien wel heel simpel. Hoewel Haydn concerten schreef voor de meest uiteenlopende instrumenten, staat hij vooral te boek als de grote grondlegger van de klassieke symfonie. En ook zijn concerto's staan dichter bij zijn symfonische taal en zijn geen karakterstukken zoals die van Wolfgang Amadeus Mozart. Toch is er altijd veel te beleven, zoals in het Celloconcert in C majeur. Haydn was immers jarenlang heer en meester van het Eszterházy Orkest en kon daar naar hartenlust experimenteren met instrumenten en vormen. Omdat hij kon beschikken over uitstekende muzikanten verwonderde hij zich graag over de mogelijkheden van de verschillende instrumenten en schreef hij voor zijn musici een paar prachtige soloconcerten. Zo ontstond het Celloconcert in C majeur aan het begin van de jaren zestig van de achttiende eeuw mede dankzij Haydns goede vriend en cellist van het Eszterházy Orkest, Joseph Weigl.

Het is opvallend hoezeer Haydn de cello als een volwaardig instrument behandelt in een tijd dat het instrument nog steeds vooral een begeleidingsinstrument was. De solopartij is bij vlagen buitengewoon virtuoos, maar altijd in dienst van het geheel. Mede daarom is dit celloconcert een van Haydns beste concerten uit deze vroege Eszterházyperiode. Hoewel het nog sporen vertoont van het barokke soloconcert, is het met de hoekdelen in de karakteristieke sonatevorm in de aard al een schoolvoorbeeld van het klassieke soloconcert.

Het werk hanteert de ook in de Barok al traditionele snel-langzaam-snel-afwisseling. Het eerste deel laat meteen Haydns meesterschap op de muzikale millimeter horen. Hij heeft maar weinig materiaal nodig en door het thema iedere keer licht gevarieerd te brengen houdt hij zijn publiek alert. Het prachtige Adagio voor alleen strijkers en de solocello is volgens de overlevering speciaal geschreven om de prachtige toonvorming van Weigl goed uit de verf te laten komen. In het laatste deel, Allegro molto, is het vooral de virtuositeit die centraal staat, al gaat dat bij Haydn zoals gewoonlijk nooit ten koste van de melodische en harmonische inventiviteit.

Het Celloconcert in C majeur, dat vermeld stond in de immense wekencatalogus van Haydn, werd lange tijd als verloren beschouwd. Pas in 1961 ontdekte Pulkert het werk in stukken en brokken in het Nationaal Museum in Praag. Nadat de orkestpartijen en de solostem voldoende waren gereconstrueerd, groeide het concert in rap tempo uit tot een van de meest geliefde werken van Haydn.

Truls Mørk speelt de cadensen die zijn aangetroffen in het in 1961 gevonden manuscript.