Vanwege onderhoud is het niet mogelijk om kaarten te bestellen of om in te loggen op je account. Probeer het later opnieuw. Onze excuses voor het ongemak.

Concertgebouworkest
Concertgebouworkest

Mahler Symfonie nr. 6

‘Een symfonie betekent voor mij met alle beschikbare middelen van de voorhanden zijnde techniek een wereld opbouwen’, verklaarde Gustav Mahler in 1895 tegenover zijn vriendin Natalie Bauer-Lechner. De eerste vier symfonieën van Mahler waren zeer bonte werelden, waarin militaire marsen, treurmarsen, natuurgeluiden, volks- en zigeunermuziek en zijn eigen Wunderhorn-liederen waren opgenomen. Ze werden de componist nogal eens als ‘banaliteiten’ verweten. In de drie volgende symfonieën kan men een zekere terughoudendheid in het gebruik van ‘alle beschikbare middelen’ waarnemen. Er zijn geen vocale partijen meer, de warme orkestklank van de Wunderhorn-romantiek maakt plaats voor een scherp geëtste contrapuntische schrijfwijze en de ‘banaliteiten’ raken steeds meer op de achtergrond. ‘Het romantische en mystieke zul je er niet in aantreffen. Het enige wat telt is dat er een ongehoorde kracht wordt uitgedrukt. Het is de mens in al zijn glorie op het hoogtepunt van zijn leven’, heeft Mahler over zijn Vijfde symfonie gezegd. Op de in 1904 voltooide Zesde symfonie in A mineur, de ‘Tragische’ (de bijnaam zou volgens Bruno Walter van Mahler zelf stammen), zijn deze woorden eveneens van toepassing, maar in dit geval wordt de mens in al zijn glorie, ondanks zijn ongehoorde kracht, uiteindelijk door het noodlot vernietigd.

Mahlers vrouw Alma schrijft in haar (niet altijd even betrouwbare) memoires dat de Zesde Mahlers meest persoonlijke compositie is en wijst op enkele biografische aspecten van het werk. ‘Toen hij het eerste deel had geschetst kwam hij thuis en zei me: “Ik heb geprobeerd om jou in een thema vast te leggen, of het gelukt is weet ik niet, maar je zult het ermee moeten doen.” In het derde deel schildert hij het aritmische spel van onze twee kinderen, die in het zand ravotten. Het derde deel beschrijft zijn ondergang, of, zoals hij het later zei, die van zijn held. “De held wordt driemaal door het noodlot getroffen. De derde keer wordt hij geveld en valt hij om als een boom".'

De Zesde symfonie heeft vier delen die, het Andante uitgezonderd, thematisch met elkaar verwant zijn.

Het eerste deel heeft een sonatevorm, waarin volgens Mahlers voorschrift de expositie herhaald moet worden. Het eerste thema is een verbeten mars, die na een climax in trillers in de houtblazers in het lage register wegebt. Het hierop volgende tromgeroffel en de paukenslagen leiden het tragische motto – het noodlotsmotief – in, dat in de andere twee snelle delen terug zal keren. Het is een tragedie in een notendop: een A majeur akkoord in trompetten en hobo’s gaat over in A mineur, terwijl in de klankkleur de nadruk van de trompetten (decrescendo) naar de hobo’s (crescendo) wordt verschoven. De majeur-mineurwending mondt uit in een kort koraal voor de houtblazers. Het zwierige thema in de strijkers dat hierop volgt is het portret van Alma. In de doorwerking treden achtereenvolgens de mars en het Alma-thema (in de bastuba!) op en doen in een idyllische episode de koebellen hun intrede, gecombineerd met het koraal en het Alma-thema in de solohoorn.

De volgorde van de twee middendelen heeft Mahler nogal wat hoofdbrekens bezorgd. Bij de première in Essen op 27 mei 1906 en in latere uitvoeringen heeft hij het Andante altijd vóór het Scherzo geplaatst. In het handschrift en in de voorafgaand aan de première verschenen eerste uitgave van de partituur komt echter eerst het Scherzo. Mahler heeft zich er nooit definitief over uitgesproken en het is vooral aan een advies van Alma te danken dat in Amsterdam lange tijd de volgorde Scherzo-Andante werd aangehouden.

In het Scherzo heerst de geest van Mefistofeles. Het is de ontkenning van alles wat voor conventionele muzikale schoonheid en ‘natuurlijkheid’ doorgaat. De instrumenten spelen in extreme registers, wat in verwrongen timbres resulteert: gierende flageoletten in de violen, blaffende voorslagen in de hoorns en krijsende houtblazers. Het eigenlijke scherzo sluit af met de terugkeer van het noodlotsmotief in de trompetten. De hierop volgende sectie, het trio, is door Mahler met ‘altväterisch’ gekarakteriseerd, een aanduiding die niet in overeenstemming lijkt met Alma’s beschrijving van de aritmisch spelende kinderen. Het is een enigszins archaïsch menuet, waarin maten van drie en vier tellen worden afgewisseld. Het geeft het geheel een houterig karakter, eerder een beeld van oudjes die een menuet dansen dat ze zich niet zo goed meer kunnen herinneren dan van spelende kinderen. Zowel het scherzo als het trio worden herhaald. In de coda worden flarden van het ouderwetse menuet begeleid door het steeds een noot lager klinkende noodlotsmotief in de fluiten en trompetten.

Het Andante opent met een lang uitgesponnen eerste thema in majeur voor de violen. Het noodlotsmotief met zijn majeur-mineurwending komt in dit deel niet voor, maar Mahler lijkt het thema bijna systematisch aan alle mogelijke mineur-schakeringen te onderwerpen. Niet alleen de terts, maar ook de secunde, sext en septiem worden verlaagd. Een kinderlijk motiefje van vijf noten in de fluiten, dat in het verdere verloop van de muziek alomtegenwoordig zal worden, leidt naar een passage voor de houtblazers waarin de althobo een tweede thema introduceert. Met een flageolet in de violen wordt de muzikale voortgang even tot stilstand gebracht, waarna de hoorn het tweede thema inzet, dat deze keer naar een climax wordt gevoerd. Mahler schrijft opnieuw koebellen voor, maar van een ‘alpenpastorale’, zoals in het eerste deel, is geen sprake. Na een tweede reprise van het eerste thema (hobo en hoorn) bewerkstelligt een wonderbaarlijke modulatie de overgang naar een met ‘misterioso’ aangeduide episode waarin een koraal in de fluiten en klarinetten omspeeld wordt door flarden van het eerste thema. Het Andante sluit af met een herhaling van het tweede thema en de daaropvolgende climax. Te midden van het geklingel van de koebellen klinkt in de bastuba nog een keer het eerste thema.

Voor de Finale, waarin ‘de held driemaal door het noodlot wordt getroffen’, heeft Mahler een speciale hamer met bijbehorende klankkast laten ontwerpen: ‘een korte, krachtige, maar dof klinkende klap van een niet metaalachtig karakter, als een bijlslag’, luidt de omschrijving in de partituur. Het aantal hamerslagen is omstreden. Het waren er ooit vijf. In de eerste editie van de partituur zijn het er drie, maar in de na de première verschenen eerste uitgave van de dirigeerpartituur (waarin de volgorde van de middendelen op Mahlers verzoek is veranderd) is de laatste hamerslag geschrapt.

In de Finale wordt het majeur-mineurconflict van het tragische motto tot gigantische proporties opgeblazen. Het deel opent met een geheimzinnige inleiding – die strikt genomen geen inleiding is omdat ze drie keer zal terugkeren – waarin eerst een extatische frase van de violen abrupt wordt afgekapt door het tragische motto uit het eerste deel. Hierna worden fragmenten van vijf thema’s en een volledig koraal geëxposeerd in een rustig tempo (Etwas schleppend). De voornaamste thema’s zijn de door lage klokken begeleide melodie van de hoorn, die na het koraal voor de hoorns en de houtblazers in een meer uitgebreide vorm terugkeert, en de hierop volgende melodie voor de blazers die ook na de hamerslagen terugkeert. De inleiding gaat dan door middel van een geleidelijke versnelling over naar een Allegro energico, dat met een op het hoorn-thema gebaseerde mars begint.

Aan de hand van de terugkerende inleiding kan dit Allegro energico in drie grote secties en een coda worden onderverdeeld. De eerste sectie bestaat uit de mars en een lyrische episode. In de tweede sectie vallen de hamerslagen, die tot twee keer toe de aanloop naar een verlossende climax in majeur de pas afsnijden. De derde sectie opent als een pastorale met klokgelui en lieflijke solo’s voor de hobo en de viool. In de hierop volgende triomfantelijke mars lijkt de overwinning de held niet meer te kunnen ontgaan. Het laatste optreden van de inleiding en het daarbij inbegrepen tragische motto, waar de eventuele derde slag van de hamer valt, maakt echter een eind aan de illusie. Met een coda voor de trombones, in dezelfde categorie treurmuziek als de klaagzang voor Wagner aan het slot van het Adagio van Bruckners Zevende symfonie, wordt de held de laatste eer bewezen. De verheven ceremonie wordt echter bruut afgekapt door het tragische motto, nu alleen mineur. Majeur is zinloos geworden.

Marco Nakken