Mahler Symfonie nr. 9

Op 26 juni 1912 hield dirigent Bruno Walter met de Wiener Philharmoniker Gustav Mahlers Negende symfonie in D majeur ten doop. De componist kon de première zelf niet meer bijwonen: hij was in het jaar ervoor overleden in de wetenschap dat de Negende symfonie het laatste grote symfonische werk was dat hij had voltooid. Daarmee was een bang voorgevoel waarheid geworden bij de bijgelovige componist: net als voor Ludwig van Beethoven, Franz Schubert en Anton Bruckner bleek de Negende voor hem een eindstation. Mahler had na zijn Achtste symfonie nog geprobeerd het noodlot te omzeilen door geen nieuwe ‘negende’ symfonie te schrijven maar een ‘symfonie in gezangen’: Das Lied von der Erde. Toen hij vervolgens alsnog zijn ‘negende’ symfonie op papier had gezet, kon hij ook nog met nummer tien beginnen. Maar het was Mahler niet meer gegund dat laatste werk af te maken. Naast een aantal schetsen van andere delen was van de Tiende symfonie alleen het openings-Adagio min of meer klaar toen hij op 18 mei 1911 overleed.

Mahler schreef zijn Negende symfonie in 1908-1909 in zijn componeerhuisje in Toblach. Hoewel hij aanvankelijk erg gestoord werd door lawaai van de buren en een blaffende hond, en hij in het verleden doorgaans twee jaar over een symfonie deed, was de nieuwe symfonie al snel grotendeels klaar. Het werk is ‘een mooie aanwinst voor mijn kleine familie’, schreef hij trots in augustus 1908. ‘Ik zeg hierin iets wat ik allang op de lippen heb; misschien lijkt zij het meest op de Vierde, maar ze is toch weer heel anders.’ De Negende is net als de Vierde enigszins kamermuzikaal gedacht, maar werd verder inderdaad heel anders. Mahler laat in de Negende voor een deel de oude symfonische tijd achter zich.

De algehele structuur van de symfonie is bijvoorbeeld al uitzonderlijk: de hoekdelen zijn langzaam, de middendelen sneller. Sommige commentatoren zien wat dat betreft parallellen met de Zesde symfonie ‘Pathétique’ van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski uit 1893. In de Negende symfonie kun je minder dan voorheen genieten van brede melodische zinnen: in plaats daarvan gaat Mahler uit van kortere motieven en brokstukken die hij quasi improviserend bewerkt. De sfeer van de negentiende eeuw klinkt nog wel door, maar de deuren naar de twintigste eeuw staan wijd open. In een tijd dat componisten als Igor Stravinsky en Béla Bartók van zich laten spreken, schrijft ook Mahler – om met filosoof-musicoloog Theodor Adorno (1903-1969) te spreken – ‘het eerste werk van de nieuwe muziek’

Arnold Schönberg, een van de nieuwe revolutionaire componisten, beschreef zijn ervaringen met de symfonie als volgt: ‘Mahlers Negende is hoogst merkwaardig. De auteur spreekt er nauwelijks meer als een subject. Het lijkt er bijna op alsof dit werk nog een verborgen auteur bezit, die Mahler slechts als spreekbuis gebruikt. Dit werk is niet meer in een ik-toon. Het presenteert om zo te zeggen objectieve, bijna emotieloze constateringen, van een schoonheid die alleen te horen is door hen die buiten animale warmte kunnen en in abstracte koelte gedijen.’

Gustav Mahlers schetsen voor het vierde deel van de Negende symfonie (1910). Mahler neemt met zijn Negende symfonie niet alleen afscheid van een muzikaal verleden; het werk staat in het teken van het afscheid van het leven. ‘Afscheid van allen van wie hij hield en van de wereld. En van zijn kunst, zijn leven, zijn muziek’, constateerde Willem Mengelberg. ‘O Jugendzeit! Entschwundene! O Liebe! Verwehte!’, noteerde Mahler zelf in het ontwerp van de partituur. In de laatste jaren van zijn leven was bij de componist veel op losse schroeven komen te staan. In 1907 had hij zijn vierjarige dochtertje Maria verloren, werd geconstateerd dat zijn hart niet naar behoren werkte, verloor hij zijn baan bij de Weense hofopera en verflauwde de liefde van zijn geliefde Alma. Mahlers preoccupatie met het afscheid en met de dood kwam in die jaren al naar voren in Das Lied von der Erde. De Negende werd een vervolg hierop: de dalende secunde waarmee de alt in Der Abschied – het laatste deel van Das Lied von der Erde – het eeuwige leven bezingt, klinkt als het ware door in het eerste deel van de Negende. Ook verwijzingen naar een thema uit Beethovens Sonate ‘Les Adieux’ zullen geen toeval zijn. En is het steeds stagnerende ritme in het openingsdeel een symbolisering van Mahlers hartkwaal?

‘Het eerste deel is het allerheerlijkste wat Mahler ooit heeft geschreven’, meende componist en tijdgenoot Alban Berg. ‘Het is de uiting van zijn ongelooflijke liefde voor deze aarde, van zijn verlangen in vrede op haar te kunnen leven en van haar, de natuur, tot in haar diepste diepten te genieten – tot de dood komt. En die komt onherroepelijk. Dit hele deel is doordrongen van vermoedens van het naderende einde.’ De vorm van dit openingsdeel doet in de verte denken aan die van de traditionele sonatevorm, maar wordt ook wel als een variatievorm omschreven. Sommige musicologen zien in Mahlers behandeling van het materiaal al iets van de latere werkwijze van de Tweede Weense School of de serialisten. Polyfoon en lineair denken speelt een belangrijke rol. Daarnaast zijn er in het eerste deel grote verschillen in dynamiek en sfeer tussen tere klankvolle passages en dreigende erupties, wanhoop en verwondering. Een enorme climax leidt naar een treurmars ‘als een zware begrafenisstoet’.
Het tweede deel bevat volgens componist Dieter Schnebel ‘gecomponeerde ruïnes’. We horen een Ländler en een wals, door Mahler ondergedompeld in grimmige en groteske humor. Is het een dodendans, waarin de duivel viool speelt? Ook het volgende deel (opgedragen aan ‘mijn broeders in Apoll’) staat vol inktzwart sarcasme. In het scherzo klinken spottende thema’s en ontvouwen zich fugatische passages. Mahler-expert Deryck Cooke beschreef dit deel als ‘beraamde chaos… een felle uitbarsting van hels gelach over de futiliteit van alles’; Willem Mengelberg noteerde bij dit deel ‘galgenhumor’.

Dan volgt het slotdeel, een breed uitgesmeerd Adagio, niet in D majeur maar in Des majeur. Opnieuw Cooke: ‘Dwars door het smartelijk verdriet van de finale, na alle gruwel en hopeloosheid van de eerste drie delen, is Mahlers onuitroeibare liefde voor het leven toch nog zichtbaar dankzij het vermogen van werkelijk grote muziek om gelijktijdig aan verschillende, onderling tegenstrijdige gevoelens uitdrukking te geven. Deze symfonie is het muzikale equivalent van wat de dichter Rilke 'dennoch preisen' noemt – 'het leven verheerlijken, ondanks alles'.’ Vlak voor het slot citeert de componist een passage uit een van zijn Kindertotenlieder: ‘Het is een mooie dag daarboven.’ Alsof hij deze wereld al is ontstegen. Boven de laatste maten, waarin de slotnoten wegsterven, noteerde hij de woorden ‘O Schönheit! Liebe! Leb wol! Leb wol’.

Dirk Luijmes