Vanwege onderhoud is het niet mogelijk om kaarten te bestellen of om in te loggen op je account. Probeer het later opnieuw. Onze excuses voor het ongemak.

Concertgebouworkest
Concertgebouworkest

Prokofjev Romeo & Julia

Romeo en Julia en Stalin

In 1918 verliet Sergej Prokofjev zijn vaderland. Hij zou achttien jaar lang het leven leiden van een succesvolle reizende pianist-componist, eerst in de Verenigde Staten, daarna lange tijd in Europa. Muzikaal gezien sloeg hij zijn vleugels uit. Hij kwam in contact met de nieuwste ontwikkelingen in de westerse muziek, inclusief de jazz, Hollywood en Broadway, hij schreef drie grote opera’s en voor de Ballets Russes van Sergej Diaghilev in Parijs componeerde hij drie balletten, Chout, Le pas d'acier en De Verloren Zoon. Ook zijn Skytische Suite was oorspronkelijk als ballet gedacht.

Maar in de jaren ’30 begon Prokofjev een terugkeer naar Sovjet-Rusland te overwegen. Hij raakte uitgekeken op het bestaan van reizend concertpianist; de aanbiedingen voor nieuw werk in het westen droogden op, zijn opera’s werden niet uitgevoerd. In 1936 verhuisde Prokofjev met zijn van oorsprong Spaanse echtgenote en hun twee zoontjes naar Moskou. Het was één van de donkerste periodes van de Stalindictatuur, maar Prokofjev vond er volop werk: het regime zette sterk in op energieke, expressieve cultuur, en Prokofjevs muziek paste in het plaatje. In de Sovjet-Unie ontstonden de laatste drie van zijn zeven symfonieën, vier pianosonates, filmmuziek voor Alexander Nevsky (1938) en Ivan de Verschrikkelijke (1942-1945), de fabel Peter en de Wolf en de balletten Assepoester (1940-44) en Romeo en Julia (1935-1936).

Het was de opdracht voor Romeo en Julia die hem in eerste instantie naar Rusland bracht. Het voorstel kwam van de schrijver en dramaturg Adrian Piotrovsky; met de toneelschrijver Sergej Radlov werkte Prokofjev aan een eerste opzet. Het scenario volgde de ideeën van het ‘drambalet’, een ‘gedramatiseerd ballet’ waarin Radlov en Prokofjev Shakespeare’s verhaal interpreteerden als ‘…een strijd door de jeugd om het recht op de liefde; sterke en progressieve mensen strijdend tegen feodale tradities en feodale ideeën over huwelijk en familie.’

In mei 1935 voltooiden Prokofjev, Piotrovsky en Radlov de opzet voor een Romeo en Julia in vier aktes, met een happy end. Vladimir Mutnykh, de artistiek directeur van het Bolsjoj Theater in Moskou, zette het ballet op het programma voor het seizoen 1935-1936. Het scenario werd goedgekeurd door Sergej Dinamov, lid van het Centrale Comité en lid van de raad van bestuur van het Bolsjoj. Omdat het einde afweek van Shakespeares tekst stelde Dinamov voor het de ondertitel ‘gebaseerd op motieven van Shakespeare’ te geven. Radlov schreef in juni 1935 een artikel in Sovetskoye iskusstvo (Sovjet Kunst) waarin hij de centrale thema’s van Romeo en Julia nog eens uit de doeken deed: klassenstrijd, radicaal conflict tussen komedie en tragedie, de botsing tussen de jeugd en de feodale maatschappij.

Prokofjev zette zich aan het werk. Hij schreef eerst een pianoversie van 51 scenes, met annotaties voor de orkestratie. Die omvatte bijvoorbeeld een tenorsaxofoon, tamelijk uitzonderlijk; hij voegde ook een cornet, een viola d’amore en mandolines toe, om de Italiaanse sfeer van het stuk aan te zetten. Een eerste uitvoering van de pianoversie voor de directeuren van het Bolsjoj leidde tot stevige discussie over de onorthodoxe interpretatie van Shakespeare en, bovenal, over het feit dat Prokofjev het ballet een happy end had gegeven. Bij Shakespeare denkt Romeo dat Julia gestorven is, waarop hij zelfmoord pleegt; als zij ontwaakt en de stervende Romeo ziet, volgt ze hem. Prokofjev laat de beide geliefden echter in leven. Hij schreef er later over: ‘Er was in die tijd een hoop gedoe over ons voorstel om Romeo en Julia in de laatste acte een gelukkig einde te geven. Romeo komt een minuut eerder, vind Julia in leven, en alles eindigt goed. De redenen voor dat kleine barbarisme waren puur choreografisch: stervende mensen kunnen niet dansen, levende mensen wel.’

Er was misschien nog een reden voor dat veranderde einde. Prokofjev had zich in 1924 aangesloten bij de Christian Science-beweging, toen de snelst groeiende geloofsgemeenschap in de Verenigde Staten. Volgens de leer van de kerk is de materiele wereld een illusie, en de werkelijkheid zuiver spiritueel; de dood bestaat in feite niet. In Prokofjevs visie is de liefde tussen Julia en Romeo dan ook oneindig; ze overstijgt de aardse beperkingen. Of ze leven of sterven is dus eigenlijk bijzaak.

In 1936 werden dat soort artistieke discussies echter levensgevaarlijk. De Sovjet-Unie werd het toneel van bloedige repressie; de kunsten kwamen onder toezicht van een nieuw Comité voor Kunstzaken, geleid door Platon Kerzhentsev die in de muziek, het toneel en de literatuur nieuwe conservatieve, anti-moderne maatstaven aanlegde. Kerzhentsev’s eerste daad was het verketteren en daarna verbieden van de opera Lady Macbeth van Mtsensk van Sjostakovitsj; zijn tweede werk was het ontmantelen van de complete directie van het Bolsjoj theater. Dinamov, Piotrovsky en Mutnykh zouden allen binnen anderhalf jaar worden gearresteerd en geëxecuteerd. De complete programmering van het Bolsjoj Theater werd geschrapt, inclusief Romeo en Julia.

Prokofjev ontsprong de dans, maar hij werd gedwongen het ballet ingrijpend te herschrijven, met een nieuw einde en een compleet nieuwe vierde akte. Het werd hoogst onzeker of het ooit tot een uitvoering zou komen. In 1938 beleefde het toch zijn première, niet in Moskou, maar ver weg in Brno, in Tsjecho-Slowakije. Prokofjev was er niet bij.

Toen Stalin er tenslotte van overtuigd was geraakt dat Prokofjev alle verderfelijke westerse invloeden had afgeschud en een ware Sovjetkunstenaar geworden was kwam dan toch toestemming voor een Russische première in het Kirovtheater, Leningrad, op 11 januari 1940. Weer moesten de partituur en de orkestratie worden aangepast, weer moest Prokofjev accepteren dat anderen – met name de choreograaf Lavrovsky –  allerlei veranderingen aanbrachten. Daar kwam bij dat de dansers klaagden over de lastige ‘moderne’ ritmes. De prima ballerina, Galina Oelanova, zou hebben gezegd: ‘For never was a story of more woe/ Than Prokofiev's music for Romeo.’ Toen Prokofjev de uiteindelijke versie hoorde, en zag, kende hij zijn eigen werk nauwelijks terug. Hij schreef nog een lange brief waarin hij tegen alle wijzigingen protesteerde, maar vergeefs.

Tot verbazing van alle betrokkenen werd de productie een enorm succes, en Romeo en Julia werd alom erkend als hét belangrijkste dramatische ballet van de Sovjetunie. In 1946 werd het uiteindelijk ook in het Bolsjoj Theater in Moskou geproduceerd. Het is uitgerekend die verknipte versie, door Stalin geaccordeerd, die daarna zijn lange triomftocht over de Europese concertpodia begon. In 2008 werden door de musicoloog Simon Morrisson de verdwenen delen van Prokovjefs oorspronkelijke compositie teruggevonden in een Moskous archief. Pas toen klonk Romeo en Julia zoals Prokofjev het bedoeld had.

Prokofjev had de muziek al eens gereduceerd tot een suite voor solo piano; hij maakte van de georkestreerde versie drie verschillende concert-suites. Twee delen werden ook hergebruikt in het tweede deel van zijn Vijfde symfonie. Hier klinkt de keuze van Daniele Gatti. Hij koos zes van de zeven delen van de Eerste Suite en vulde die aan met drie delen uit de tweede. Zijn Romeo en Julia omvat:

Montagues en Capulets (Suite nr. 2/1)
Julia, het jonge meisje (Suite nr. 2/2)
Madrigaal (Suite nr. 1/3)
Menuet (Suite nr. 1/4) 
Romeo en Julia (Suite nr. 1/6)
De dood van Tybalt (Suite nr. 1/7)
Broeder Laurentius (Suite nr. 2/3)
Romeo en Julia voor het afscheid (Suite nr. 2/5)
Romeo aan het graf van Julia (Suite nr. 2/7)

Koen Kleijn