Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Prokofjev Symfonie nr. 5

De Vijfde symfonie van Sergej Prokofjev werd gecomponeerd tijdens de Tweede Wereldoorlog, en wordt daarom wel Prokofjevs ‘oorlogssymfonie’ genoemd. Ten tijde van de première in 1945 stevende de Sovjet-Unie af op een overwinning op Duitsland en het ergste leed zou spoedig geleden zijn. Prokofjev zelf schreef - politiek correct - over de symfonie: ‘Ik had een eerbetoon aan de menselijke geest voor ogen. Ik wilde de vrije en gelukkige mensheid bezingen; zijn kracht, en de puurheid van zijn ziel.’ De componist leek precies te doen wat er van elke Sovjet-kunstenaar werd verlangd: toegankelijke, maatschappelijk relevante kunst produceren. Het was begrijpelijk dat het publiek de grootse en meeslepende muziek interpreteerde als hoop op een betere toekomst.

Toch geven de omstandigheden waaronder Prokofjev aan zijn Vijfde werkte een genuanceerder beeld. Na de Grote Zuiveringen door het Stalin-regime van de jaren ’30, die verschrikkelijke gevolgen hadden gehad voor het artistieke leven in het land, werd de oorlog door veel Russische kunstenaars gevoeld als verademing. Er werd minder op hen werd gelet want de autoriteiten hadden belangrijkere zaken aan het hoofd. Kunstenaars werden tijdens de oorlogsjaren uit Moskou en Leningrad massaal geëvacueerd naar veiliger oorden, waar ze in relatieve rust konden werken. Prokofjev zelf bracht geruime tijd door in Alma-Ata, in Kazachstan.

Prokofjevs Vijfde kan inhoudelijk gezien eigenlijk niet echt een oorlogssymfonie worden genoemd. Zijn collega Dmitri Sjostakovitsj, zelf bijna slachtoffer van Stalins vervolgingen, had met zijn Zevende en Achtste symfonie tijdens de oorlogsjaren aan de autoriteiten laten zien dat hij wel degelijk maatschappelijk relevante muziek kon produceren; de heroïek en verschrikkingen van oorlog waren in deze werken bijna tastbaar. In Prokofjevs Vijfde duidt weinig op een volk in oorlog. Integendeel, als zijn muziek ergens aan refereerde was het de dans. Zo zijn in het derde en vierde deel Romeo en Julia nooit ver weg en muziek uit Assepoester is te vinden in het tweede deel. Pikant is het letterlijke hergebruik van de muziek die Prokofjev schreef voor het oorspronkelijke happy end van Romeo en Julia: het tweede deel begint ermee.

Prokofjev schreef een symfonie zoals hij die ook in Amerika en Parijs had kunnen schrijven. Als hij werkelijk een boodschap had willen verkondigen over ‘de vrije en gelukkige mensheid’ dan had hij dat wel gedaan met muziek voor het toneel: opera en ballet, of met vocale muziek. In de instrumentale genres als de sonate, de symfonie en het concert kon hij muziek maken om de muziek.

Deze ‘westerse’ opvatting kwam hem in 1948 alsnog duur te staan. Het Politburo vaardigde een officiële oekaze uit waarin Prokofjev met Sjostakovitsj, Mjaskovsky en Khatchaturian van ‘formalisme’ werden beschuldigd, zijnde ‘een verwerping van de basisprincipes van klassieke muziek’ ten gunste van ‘verwarde, zenuwslopende geluiden’. Acht stukken van Prokofjev werden in de ban gedaan; voor de zekerheid weigerden concertzalen en operahuizen ook zijn niet-veroordeelde werk nog uit te voeren.