Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Rossini Ouverture 'La gazza ladra'

In 1817 bevond Gioachino Rossini zich op een voorlopig hoogtepunt van zijn carrière als operacomponist. In dat jaar en het jaar ervoor hadden twee nog altijd bejubelde opera’s het licht gezien, Il barbiere di Siviglia en La Cenerentola, twee kronen op de carrière van de toen pas 25-jarige componist.

Rossini, die altijd van luiheid wordt beticht, had toen in zeven jaar tijd al 19 opera's gecomponeerd. In opdracht van het Milanese Teatro alla Scala schreef hij vervolgens La gazza ladra, ‘De diefachtige ekster’, naar een libretto van de hand van Giovanni Gherardini. De opera gaat over een onschuldig meisje dat ter dood wordt veroordeeld omdat ze een zilveren lepel zou hebben gestolen. Als aan het einde van de opera blijkt dat een ekster de werkelijke dader is, wordt ze vrijgelaten.

Rossini, door schade en schande wijs geworden, besefte dat het verwende publiek in Milaan, dat toen onder Oostenrijks gezag stond, wat meer neigde naar de Duitse operastijl. In de Italiaanse opera draaide op dat moment alles om de gezongen melodie, maar in de Duitse werd ook aan harmonie en dus het orkestaandeel veel aandacht besteed. Rossini zorgde er dus voor dat de orkestpartituur tot in de puntjes werd verzorgd en dat het orkest met gemak het grote operahuis met geluid kon vullen. Dat werkte: het premièrepubliek was extatisch en zelfs de Duitse pers meldde dat La gazza ladra Rossini's beste niet-komische werk tot dan toe was.

Toch waren er ook kritische geluiden. Naar verluidt wond een leerling van een van de orkestleden zich op over de aanwezigheid van de kleine trom in de opera, een in zijn ogen ordinair, opera-onwaardig instrument. Hij voelde zich zo beledigd door de componist, dat hij publiekelijk verklaarde dat Rossini moest worden vermoord, om de muziek te behoeden voor verder verval. Op Rossini's aandringen werd een ontmoeting gearrangeerd, waarbij de componist fijntjes aan het heethoofd uitlegde dat de rol voor de gendarmes in de opera de kleine trom onmisbaar maakte; dit instrument was in die tijd onderdeel van de standaarduitrusting van de gendarmerie. Als de jongeman het er desondanks toch nog mee oneens was, moest hij het libretto maar vermoorden.

In de ouverture tot de opera is de kleine trom (eigenlijk zijn het er twee) al prominent te horen, als een vooruitwijzing naar de sterke arm der wet, later in de opera. Dirigent Mariss Jansons heeft ze op een afstand van elkaar laten opstellen. Zo wordt het effect van de naderende gendarmerie extra spannend.