Sjostakovitsj Symfonie nr. 10

'Een optimistische tragedie'

Het oeuvre van Dmitri Sjostakovitsj is niet los te zien van zijn leven in de Sovjet-Unie. Al zullen we nooit precies weten wat nu waar is en wat niet, feit blijft dat de componist met zijn noten reageerde op de gebeurtenissen om hem heen. Soms schijnbaar buigend, soms scherp ironisch en sarcastisch. Sjostakovitsj had al die jaren spitsroeden moeten lopen om de machthebbers tevreden te stellen. Met wisselend resultaat. De eerste serieuze aanval op zijn werk vond plaats in januari 1936. Zijn opera Lady Macbeth uit het district Mtsensk was een groot succes, maar het beruchte in opdracht van Stalin geschreven artikel Chaos in plaats van muziek in de Pravda maakte een einde aan de nationale jubel. En aan de mogelijkheden voor Sjostakovitsj om het werk uitgevoerd te krijgen. Hij trok wijselijk zijn Vierde symfonie terug en hij schreef een Vijfde symfonie die schijnbaar op de hand van de Sovjetautoriteiten was. De ondertitel ‘het antwoord van een Sovjetartiest op gerechtvaardigde kritiek’ sprak boekdelen, al zou Sjostakovitsj deze ondertitel later behoorlijk nuanceren. ‘Het moet toch voor iedereen duidelijk zijn wat daar gebeurt. Het is alsof iemand je met een stok slaat en zegt: het is jouw taak om vreugde te brengen, het is jouw taak om vreugde te brengen, en je staat op, kreunend, en zegt: het is mijn taak om vreugde te brengen, het is mijn taak om vreugde te brengen!’ Het werd een van Sjostakovitsjs meest succesvolle symfonieën.

Ook met de Tiende symfonie kroop Sjostakovitsj weer uit een diep dal. Het is het eerste werk dat Sjostakovitsj schreef na de dood van zijn kwelgeest Josef Stalin op 5 maart 1953. Daarvoor was het vijf jaar betrekkelijk stil geweest rond de componist, want op 10 februari 1948 kreeg Sjostakovitsj een nog stevigere reprimande dan de beruchte aanval van 1936. Alles wat Sjostakovitsj geschreven had, werd omschreven als ‘krankzinnig somber en neurotisch’ en ‘tegennatuurlijk voor de Sovjetburgers’. Alle opnamen van zijn werk moesten worden vernietigd en alle partituren werden herzien. Tot de dood van Stalin componeerde Sjostakovitsj uit stil protest nog maar weinig grootschalig werk en wijdde hij zich vooral aan de 24 Preludes en fuga’s voor pianiste Tatjana Nikolajeva. Pas na de dood van Stalin pakte hij ‘bevrijd’ de symfonische draad weer op.

Voor de Tiende symfonie zou hij volgens Nikolajeva al in 1951 de eerste schetsen hebben neergezet, maar daar bestaat verder geen bewijs van. In het omstreden boek Testimony, waarvan de in 1979 verschenen Engelse vertaling veel stof deed opwaaien, liet Sjostakovitsj optekenen dat deze symfonie handelde over ‘Stalin en de jaren van Stalins regime’. Alhoewel boze tongen later beweerden dat dit verhaal in de wereld was geholpen om de muziek van Sjostakovitsj in het westen meer bekendheid te geven – een werk dat Stalin belachelijk maakt zou immers in de smaak vallen – is het te mooi en te leuk om het als apocrief terzijde te schuiven. En volgens mensen die het weten kunnen, citeert het boek van Solomon Volkov werkelijk de componist:

‘But I did depict Stalin in music in my next Symphony, the Tenth. I wrote it right after Stalin’s death, and no one has yet guessed what the Symphony is about. It’s about Stalin and the Stalin years.’

Het tweede deel, een scherzo, zou zelfs een muzikaal portret van Stalin zijn. En het is geen vleiend portret: een doorlopend fortissimo dendert als een stoomwals door dit slechts vier minuten durende deel. Het staat zo in schril contrast met het donkere Moderato, gevat in de vorm van een indrukwekkende boog, waarmee deze symfonie begint. Beide delen lijken uiteindelijk een lange opmaat voor het derde deel, dat begint als een grimmige wals, maar dat al snel een getuigenis van de persoonlijke wederopstanding van Sjostakovitsj lijkt te worden. In dit Allegretto komt voor het eerst het motief DSCH (de noten D-Es-C-B) voor, een verklanking van de initialen van de componist. ‘Een verklaring van individualisme in een cultuur van totalitair collectivisme’ is Sjostakovitsj’ daad wel genoemd.

Toch was er een ander motief, een hoornmotief dat gedurende het derde deel twaalf keer herhaald wordt, dat de gemoederen nog meer bezighield. Pas met het boven water komen van correspondentie uit 1953 van Sjostakovitsj met zijn leerlinge Elmira Nazirova bleek dat dit motief, dat verwantschap vertoont met een thema uit Mahlers Das Lied von der Erde, staat voor Elmira. Het thema EAEDA laat zich met enige creativiteit lezen als E, L(a), Mi, R(e), A. Sjostakovitsj schreef aan zijn geliefde studente: ‘Dit is het resultaat. Zelfs als ik niet tot dit resultaat gekomen was, zou ik constant aan je denken – of dit feit nu wel of niet in mijn waardeloze manuscript opgetekend is.’

Het laat zich lezen als een als een liefdesverklaring, en dat was het ook. Gedurende de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw onderhield Sjostakovitsj vrij warme relaties met twee van zijn studentes, Galina Oestvolskaja en Elmira Nazirova. Dit ondanks het feit dat hij tot haar dood in 1954 gewoon getrouwd was met Nina Varzar. Vooral zijn relatie met Oestvolskaya, die hij van 1937 tot 1947 onder zijn hoede had, ging verder dan een normale vriendschap. Al weet niemand precies hoe veel verder. De cellist Mstislav Rostropovitsj omschreef de band tussen de twee ooit eens diplomatiek als ‘teder’, maar een huwelijksaanzoek van Sjostakovitsj kort na de dood van zijn echtgenote wees Oestvolskaja resoluut af. Ook met Nazirova had Sjostakovitsj overigens weinig succes. In de eerste helft van de jaren vijftig sprak Sjostakovitsj in brieven regelmatig zijn affectie voor haar uit, maar die werd niet werkelijk beantwoord. In die zin is het Allegretto ook te beluisteren als een bittere afsluiting van een hoofdstuk waarin Sjostakovitsj zijn onvervulde verlangen van zich af schrijft.

In het vierde deel, dat wederom somber begint, lijkt Sjostakovitsj het heft zelf weer in handen te nemen en keert het DSCH-thema prominent terug. Maar hoewel de symfonie uiteindelijk in een optimistisch Allegro eindigt, blijft de bij Sjostakovitsj immer sombere ondertoon aanwezig. Dat vond de Unie van Sovjet Componisten blijkbaar ook. Want toen men dit werk na de première in 1954 toetste, werd het wel herkend als een keerpunt in de geschiedenis van de Sovjet-Unie, maar kon men het niet goed plaatsen in de traditie van het zo gewenste sovjetrealisme. De jonge componist Andrei Volkonsky kwam uiteindelijk met de politiek meest acceptabele omschrijving: de Tiende symfonie was 'een optimistische tragedie’. De positie van Sjostakovitsj als meest vooraanstaande Sovjetcomponist was voorlopig weer gewaarborgd.