Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Sjostakovitsj Symfonie nr. 4

Als je de muziek van Dmitri Sjostakovitsj niet kent is de Vierde symfonie een perfecte kennismaking. Alle kenmerken van zijn symfonische taal zitten erin: experimenteerdrift, respect voor de symfonieën van Mahler, flirts met dansmuziek en een duidelijke hang naar bizarre, groteske effecten. Die karakteristieken worden nog uitvergroot door de gigantische bezetting van ruim 130 musici: bijna tweemaal de omvang van een standaardorkest. En de Vierde is tevens een van de meest beladen symfonieën: de muziek ontstond deels tijdens de eerste officiële lastercampagne tegen de componist. Er zouden nog verscheidene volgen.

Tot begin 1936 gold Sjostakovitsj als een belofte van de Sovjetmuziek. Dat hij de klassiek-Russische, fluwelige orkestklank ‘verscheurde’ met westerse moderniteiten – xylofoonriedels, snerpende klanken van koper- en houtblazers – werd aanvankelijk getolereerd. Wel was hij al in 1929 gekapitteld wegens ‘formalisme’ (Sovjet-lingo voor ‘westers-decadent’, ‘verwerpelijk’ etc.), maar zijn talent werd erkend en Sjostakovitsj leverde diverse stukken af die pasten in de Partij-ideologie: de Tweede en Derde symfonie, bijvoorbeeld, eindigen met koorgezangen op socialistische teksten. De grote klap kwam in 1936, toen Stalin de aanval op de culturele elite geopend had. Op diens bevel verscheen in staatskrant Pravda het roemruchte artikel Chaos in plaats van muziek, waarin Sjostakovitsj’ recente opera Lady Macbeth van Mtsensk als staatsvijandig werd gebrandmerkt. Omineus was de zinsnede die de componist een gevaarlijke rol in de culturele vorming van zijn land toedichtte: ‘Dit spel kan echter slecht aflopen.’ Het was de tijd van nachtelijke arrestaties, martelingen, schijnprocessen en politieke moorden.

Juist in dat klimaat werkte Sjostakovitsj aan zijn Vierde – zijn tot dan toe meest ambitieuze symfonie. Toen het gewraakte Pravda-artikel verscheen moest hij alleen het slotdeel nog schrijven – de rest was klaar. Het belette de componist niet het werk te voltooien en de première te plannen. De repetities met het Symfonieorkest van Leningrad verliepen niet soepel: orkest en dirigent hadden moeite met de complexiteit en de grillige stemmingswisselingen van de muziek. Kon een componist die toch al onder vuur lag zich veroorloven zulke subversieve muziek te schrijven? En vooral: in hoeverre kan een orkest zich daarmee inlaten? De meeste betrokkenen durfden het niet aan.

Het wrange is dat Sjostakovitsj met die eerste twee delen misschien had kunnen wegkomen, omdat ze met hun korte melodische frasen en mechanisch aandoende ritmiek heel goed in het Sovjet-verwachtingspatroon gekletst hadden kunnen worden: strijdbare muziek, industrieel, vol nieuw-Russische trots en – in deel twee – een soort scherzo voor het nodige contrast. Het probleem zit in de Finale; die zou volgens de Partij-doctrines opgetogen moeten klinken, als een triomf over de ‘conflicten’ in de vorige delen. Maar zie, Sjostakovitsj zet in met een soort treurmars – een theatraal effect dat hij rechtstreeks van Mahler leende – en zoekt troost in een even Mahleriaanse potpourri van dansnummertjes. Maar vreugde is ver te zoeken, en na een bijna hysterische climax sterft de muziek weg in slotmaten die tot de somberste van het symfonische repertoire behoren.

Tijdens één van de moeizame orkestrepetities verschenen Sovjet-officials. Sjostakovitsj kreeg het ‘advies’ de première van de Vierde symfonie af te gelasten. Dat deed hij. Tot 1961 bleef het werk onuitgevoerd.