Strauss Rosenkavalier Suite

Na een reeks belangrijke en succesvolle symfonische gedichten verkoos Strauss zijn loopbaan naast het dirigeren op het terrein van de opera voort te zetten. In korte tijd componeerde hij drie virtuoze meesterwerken, waarmee hij zijn naam vestigde als meest succesvolle operacomponist van de twintigste eeuw: Salome (1903-05), Elektra (1906-08) en Der Rosenkavalier (1909-10). Salome en Elektra passen goed in het toenmalige fin de siècle-sentiment vol heftige dramatiek en expressionistische en psychoanalytische karakteriseringen. Der Rosenkavalier daarentegen heeft een geheel ander blikveld. Strauss droomde hier van de wereld van Mozart, een tijd die aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zo ongeschonden en engelachtig leek. Zo tekende Strauss het Wenen van de achttiende eeuw, met z’n standen en mores, maar merkwaardig genoeg ook met laat-negentiende-eeuwse walsen, en een soms overrijpe superromantische orkestklank. Der Rosenkavalier was onmiddellijk een groot succes, met als gevolg dat Strauss al spoedig een suite samenstelde. Na hem hebben diverse dirigenten hun eigen selectie gemaakt.

Deze eendelige suite begint met de prelude van de opera en laat vervolgens enkele hoogtepunten horen, waaronder Octavian als Rosenkavalier, het duet tussen Octavian en Sophie, de komst van de onhandige, boerse baron Ochs, enkele walsmomenten en de scène waarin de Marschallin zich realiseert dat zij Octavian aan Sophie moet afstaan. Het slot beslaat de hilarische scène waarin Ochs zijn aanspraak op Sophie moet laten varen en een laatste grote wals.

Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam, was hij voor Strauss gewoon weer een andere vorst, zoals keizer Wilhelm II dat voorheen was geweest. Na een uitvoering in Bayreuth van Richard Wagners Parsifal – Arturo Toscanini had om politieke redenen afgezegd en Strauss viel hals over kop voor hem in –, besloot Hitler gebruik te maken van ’s lands meest bekende componist. Strauss werd president van de Reichsmusikkammer. Intussen werkte hij samen met de joodse schrijver Stefan Zweig aan de opera Die schweigsame Frau (1934) en was zijn zoon met een joodse vrouw getrouwd. De kleinkinderen van Strauss waren voor de wet dus joden.

Die schweigsame Frau werd na enkele uitvoeringen verboden. Strauss schreef een boze brief aan Hitler en werd prompt ontslagen als president van de Reichsmusikkammer. Tot in de laatste oorlogsjaren werd hij als componist desondanks op handen gedragen. Zolang zijn kleinkinderen en schoondochter gespaard konden worden, zag hij als vurig nationalist dan ook niet in waarom hij zou moeten vertrekken, zoals Paul Hindemith, Hanns Eisler en Paul Dessau hadden gedaan.

In 1945 wilden de Amerikaanse bevrijdingstroepen op een dag beslag leggen op de grote villa van Strauss in Garmisch-Partenkirchen. Strauss kwam de soldaten tegemoet en sprak hen in het Engels toe: ‘I am Richard Strauss, the composer of Der Rosenkavalier’. De soldaten boden hun excuses aan en vertrokken. ’s Avonds schreef Strauss in zijn dagboek: ‘Ein totaler Sieg des Geistes über die rohe Materie’.