Strauss Vier letzte Lieder

IM ABENDROT

De stadia van het leven

De Vier letzte Lieder voor sopraan en orkest zijn de laatste voltooide werken van Richard Strauss, geschreven in 1948, toen de componist 84 jaar oud was. Niet lang daarna stierf hij, op 8 september 1949. In één van de vier, 'Im Abendrot', keerde Strauss terug naar de muziek van Tod und Verklärung.

Strauss was op een gedicht van Joseph von Eichendorff gestuit, 'Im Abendrot', en hij zette dat in mei 1948 op muziek. Hij ook een editie van de complete gedichten van Herman Hesse gekregen, en drie verzen daaruit – Frühling, September, en Beim Schlafengehen – zette hij op muziek, voor sopraan en orkest. De titel voor deze vier liederen bijelkaar werd bedacht door zijn vriend Ernst Roth, hoofdredacteur bij de muziekuitgever Boosey & Hawkes. Het was Roth die de vier liederen maakte tot de eenheid die wij nog altijd kennen, en hij was het die ze in de volgorde zette die bij de meeste concerten wordt aangehouden.

Er is geen aanwijzing dat Strauss de liederen ook zelf beschouwde als een eenheid, maar in de volgorde die Roth bedacht vormen ze een fraaie kleine cyclus, waarin de verschillende stadia van het leven worden verklankt. 'Frühling' is vol vreugde en verwachting; in 'September' neemt de dichter afscheid van de zomer. In 'Beim Schlafengehen' verlangt de ziel naar de 'toverkring' van de nacht, en in 'Im Abendrot', tenslotte, is een ouder echtpaar getuige van een zonsondergang en ze vragen zich af of ze misschien het eind van hun leven beleven.

Is dit wellicht de dood?

Voor dit artikel spraken wij met Michael Kennedy (1926), de vroegere muziekcriticus van de Daily Telegraph en de Sunday Telegraph. Kennedy is een uitgesproken expert inzake Strauss' leven en werk. Hij schreef drie boeken over de componist: Richard Strauss (1976), Strauss Tone Poems (1984) en Richard Strauss: Man, Musician, Enigma (1999).

Kennedy: 'De Vier letzte Lieder waren van meet af aan een hit, en dat is nog altijd zo. Het is wonderlijk als je bedenkt hoe die muziek geschreven werd. Strauss pakte niet zomaar iets uit een lade, iets wat jaren eerder bedacht was. Hij schreef de muziek in 1948, toen er van alles aan de hand was – de wereld was uit het lood geslagen.'

Wat er aan de hand was, in Strauss' leven, was de pijnlijke nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Strauss had de oorlogsjaren in Duitsland doorgebracht, waar hij een eerbiedwaardige positie had bekleed als president van de Reichsmusikkammer. In zijn brieven en privé-geschriften drukt Strauss herhaaldelijk zijn verachting voor de Nazi's uit, en hij gaf nooit steun aan de racistische politiek, maar hij heeft ook nooit het regime openlijk bekritiseerd. Na de oorlog dreigde Strauss voor een zuiveringstribunaal te moeten verschijnen, en hij ging in vrijwillige ballingschap in Zwitserland. Pas in 1949, toen hij formeel was vrijgesproken, keerde hij naar Duitsland terug.

In de Vier letzte Lieder keek Strauss terug op zijn lange carrière, en zijn vroegere werk, in het bijzonder het toongedicht Tod und Verklärung dat hij zestig jaar eerder had geschreven.

Michael Kennedy: 'Dit stuk betekende duidelijk heel veel voor Strauss. Dat moet wel, want zestig jaar later, toen hij de Vier letzte Lieder schreef, zette hij een gedicht van Eichendorff op muziek. Daarin kijkt een ouder echtpaar – misschien wel Strauss en zijn vrouw zelf – naar een prachtige zonsondergang. De één zegt tegen de ander: 'Is dies etwa der Tod?' – is dit misschien de dood? En dáár, in het orkest, duidelijk voor iedereen te horen, citeert Strauss het 'transfiguratiemuziek' uit Tod und Verklärung. Een paar maanden later, toen hij daadwerkelijk zelf op zijn sterfbed lag, zei hij tegen zijn schoondochter: 'Maak je niet ongerust; de dood is precies zoals ik het heb gecomponeerd, in Tod und Verklärung.'

De première

Strauss stierf op 8 september 1949, 85 jaar oud, in Garmisch-Partenkirchen. Zijn echtgenote, Pauline de Ahna, overleed acht maanden later, op 13 mei 1950. Ze was 88. De Vier letzte Lieder gingen op 22 mei 1950 in Londen in première. De sopraan Kirsten Flagstad zong met het Philharmonia Orchestra, onder leiding van Wilhelm Furtwängler. Kennedy: ‘Iedereen begreep onmiddellijk dat dit grootse, romantische, prachtige, melodische muziek was – en ook een beetje sentimenteel. Mensen zeggen wel eens dat je bij Strauss weinig spiritualiteit vindt, en dat dat gewoon niet in zijn pakket zat. Het zou allemaal aan de buitenkant zitten, en briljant zijn, maar het zou je niet van binnen in je buik raken. Wel, dat moeten ze zelf weten: het raakt de mijne wel!’

Koen Kleijn