Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Tsjaikovski Symfonie nr. 2

Nationale muziek

In het Rusland van de negentiende eeuw was het begrip 'Russische klassieke muziek' iets nieuws. Van oudsher mochten de gewone Russen van de Orthodoxe Kerk alleen luisteren naar religieuze muziek of volksmuziek. De hogere kringen trokken zich daar niets van aan, en waren sinds tsaar Peter de Grote sterk op West-Europa gericht. Men sprak in die kringen vaak beter Frans dan Russisch en engageerde bij voorkeur westerse kunstenaars en westerse componisten, zoals Domenico Cimarosa. Na de Franse Revolutie en de oorlog met Napoleon bekoelde de liefde voor het westen. Er ontstond behoefte aan nationale, Russische kunst.

De componist Michaïl Glinka schreef in 1832: ‘Ik wil dat alles nationaal wordt: vooral het onderwerp – maar ook de muziek – zodanig dat mijn geliefde landgenoten zich thuis voelen, en zodat ik in het buitenland  niet gezien word als een opschepper of een kraai in geleende pluimen.’ Waaraan die kunst dan precies moest voldoen was vooral in muzikale kringen reden voor grote onenigheid.

Het machtige hoopje

In 1856 verenigden vijf componisten zich in een soort nationalistisch collectief: Nikolaj Rimski-Korsakov, César Cúi, Aleksandr Borodin, Modest Moesorgski en Mili Balakirev. Hun doel: het componeren van 100% Russische klassieke muziek. Geen van allen had een gedegen Europese muzikale achtergrond, maar dat nadeel werd gezien als voordeel; zo bleef hun muziek gevrijwaard van westerse invloeden. In plaats daarvan leerden de leden van dit 'Machtige Hoopje', zoals de criticus Vladimir Stasov ze liefdevol noemde, zichzelf en elkaar het vak '… door het doorspelen en bestuderen van alle muziek van de grootste componisten,' aldus Cúi. 'We waren jong... en we hadden geen respect voor Mozart en Mendelssohn.

Rond dezelfde tijd keerde de gevierde Russische concertpianist Anton Rubinstein uit Duitsland terug in St. Petersburg. Hij trof er een in zijn ogen muzikale woestenij aan. Hij was ervan overtuigd dat voor een bloeiend muziekleven traditioneel muziekonderwijs onontbeerlijk was. Rubinstein opende in 1862 in St. Petersburg het eerste Russische conservatorium. Hoewel het de elite verbaasde dat daar in het Russisch werd lesgegeven, en niet in het Frans, vond het 'Machtige Hoopje' het allemaal nog lang niet 'Russisch' genoeg. Het verzette zich openlijk tegen de academische aanpak van Rubinstein.

Tsjaikovski

Eén van zijn eerste leerlingen die er afstudeerden was Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, een amateurmusicus die zijn carrière als ambtenaar aan het Ministerie van Justitie had opgegeven om componist te worden. Het 'Machtige Hoopje' en Stasov waren uiteraard achterdochtig bij het horen van Tsjaikovski's werk, maar met zijn Tweede symfonie (1872) maakte hij een goede beurt. Tijdens een feestje bij Rimski-Korsakov speelde hij op de piano de Finale voor en '… het hele gezelschap scheurde me van verrukking bijkans aan stukken, en mevrouw Korsakov vroeg me met tranen in haar ogen of ze het mocht arrangeren voor piano quatre-mains.'

Het was geen wonder: de symfonie was weliswaar op een westerse manier gecomponeerd, maar er waren Oekraïense ('Kleinrussische') volksliedjes in verwerkt, die Tsjaikovski tijdens een zomervakantie in Kamenka leerde kennen. De hoornsolo aan het begin van het eerste deel bevat Langs moeder Wolga en in het tweede deel klinkt Spin, o spinster. In de Finale is het De kraanvogel, dat het belangrijkste melodische materiaal vormt. Het wordt op alle mogelijke manieren gevarieerd en georkestreerd en zorgt voor een verrukkelijke uitsmijter van de symfonie.

Het 'Machtige Hoopje' en Tsjaikovski hadden elkaar gevonden, maar echte vrienden zouden nooit worden. Stasov schreef later: 'Het conservatorium, academische vorming, eclecticisme en het eindeloos doorwerken van muzikaal materiaal eisten hun gruwelijke tol. Van zijn totale oeuvre zijn slechts een paar werken [Romeo en Julia, De storm, Francesca da Rimini en de Strijkkwartetten nrs. 2 en 3] origineel en eersteklas, de rest is middelmatig tot zwak'.

Tsjaikovski's muziek zou met de jaren steeds meer een weerspiegeling worden van zijn turbulente gevoelsleven, waarbij 'het Russische' een vanzelfsprekendheid werd. Rimski-Korsakov werd uiteindelijk docent aan het Conservatorium van St. Petersburg, dat sinds 1944 zelfs zijn naam draagt.