Zemlinsky Maeterlinck-Lieder

De muziek van Berg en Zemlinsky

Een afgebroken concert

Het concert in de grote zaal van de Musikverein had die avond, de 31ste maart, een zeer interessant programma: het bestond uit Weberns Sechs Orchesterstücke op. 6, Zemlinsky's Maeterlinck-Lieder op. 13, nummers 2 en 3 van Bergs Fünf Orchesterlieder, nach Ansichtkarten-Texten von Peter Altenberg op. 4, en Mahlers Kindertotenlieder. Bovendien zou Arnold Schönberg zijn eigen Kammersymphonie op. 9 dirigeren. De stukken van Webern, Zemlinsky en Berg waren allemaal wereldpremières, ook al had de oorspronkelijke versie van Zemlinsky's op. 13 met pianobegeleiding zijn première beleefd in Wenen op 11 december 1910. Vanwege het tumult dat ontstond naar aanleiding van de liederen van Berg moest het concert worden afgebroken.

Foto Olga Schoten, 2013
Foto Olga Schoten, 2013
Alban Berg

Met zijn slungelachtige postuur, zijn astmatische schouders, adelaarsprofiel en expressieve ogen zag Alban Berg (1885-1935) eruit als een personage van uit een boek van Oscar Wilde. Hij genoot van roddel en liefdesaffaires. Hij werd verteerd door het verlangen om verliefd te zijn, wanhopig verliefd als het even kon, maar het kwam zelden voor dat zijn buitenechtelijke affaires ook daadwerkelijk werden geconsumeerd: dat vond hij niet wezenlijk van belang. Als jonge man had hij zich bekwaamd in het boekhouden, hij volgde aan de Universiteit van Wenen lezingen over rechten en musicologie, en kreeg privé-les van Schönberg. In 1910 kon hij dankzij een jaartoelage zijn kantoorbaan opzeggen en zich geheel aan het componeren wijden.

Voor Berg was er niets zo belangrijk als de tijd. Niet voor niets beschreef zijn vriend Theodor W. Adorno hem als een 'meester van de kleinste overgang': vrijwel geen enkele componist heeft zo minutieus als hij aandacht besteed aan de allerkleinste details van zijn partituren. Hij werkte zes jaar aan Wozzeck, dat zonder twijfel zijn meesterwerk is, en zeven jaar aan zijn tweede opera, Lulu, die op het moment van zijn tragisch vroege dood nog onvoltooid was. Tijdens Bergs leven werd Wozzeck zo vaak uitgevoerd dat hij van de revenuen een zwarte Ford model A kon kopen, een auto die nog steeds in het familiehuis in Karinthië wordt bewaard. Schönberg maakte er geen geheim van dat hij enorm neerkeek op het succes van zijn voormalige leerling, maar moest later toegeven dat Berg 'de enige [was] die in staat was een groter publiek waardering bij te brengen voor datgene waar wij naar streefden'.

Hier ist Friede

Tijdens Schönbergs Skandalkonzert op 31 maart 1913 hoorde het publiek Bergs op. 4 en Zemlinsky's op. 13 niet zoals wij ze vandaag kennen. Allereerst werd geen van de cycli in z'n geheel gespeeld, en bovendien werden de Altenberg-liederen gezongen door een tenor. Berg had liever een sopraan gehad en benadrukte dat zijn favoriete lied, Hier ist Friede, alleen voor een vrouwelijke stem geschikt was. Maar Schönberg koos het tweede en derde lied, die minder lang gerepeteerd hoefden te worden. Vervolgens verzekerde Berg zich van de diensten van Alfred Julius Boruttau (1877-1940), een zanger met een volmaakte toonvastheid die erom bekendstond dat hij de contemporaine muziek een zeer warm hart toedroeg. Boruttau stond tot 1909 in het nieuwe Duitse Theater in Praag, en werkte daarna als zangdocent en concertzanger in Wenen. Bij de wereldpremière van Schönbergs Gurre-Lieder op 23 februari 1913 zong hij de rol van Klaus-Narr.

Oorspronkelijk stond het 'schandaalconcert' gepland voor 30 maart. Het werd verplaatst naar 31 maart aangezien Boruttau eerder niet beschikbaar was. Met een opmerkelijk vooruitziende blik zei Berg tegen Schönberg dat als er tijdens de uitvoering oproer mocht uitbreken Boruttau hoogstwaarschijnlijk onaangedaan en koel zou blijven.

Alexander von Zemlinsky

De eerste vier van Zemlinsky's Maeterlinck-liederen (het eerste, tweede, derde en vijfde) werden gecomponeerd in 1910 en twee weken voor Schönbergs concert, in een tijdsbestek van vijf dagen georkestreerd. Bij het concert, dat Zemlinsky niet kon bijwonen, was de solozangeres de sopraan Margarethe Bum (née Pollak, 1882-?). Ze was vooral bekend als concertzangeres.

Alexander von Zemlinsky (1871-1942) was componist, dirigent, arrangeur, leraar, begeleider; katholiek, sefardische jood en moslim tegelijk; workaholic en vrouwenjager, dol op grote sigaren en kleine hondjes. Sinds zijn rehabilitatie begin jaren zeventig van de twintigste eeuw is zijn artistieke statuur alleen maar groter geworden. Schönberg was Zemlinsky's beste vriend, zijn leerling en (van 1902 tot 1923) zijn zwager. Later zouden ze elkaar nog maar zelden zien. Alma Schindler had privé-les van Zemlinsky, hield van hem en verliet hem voor Mahler. Berg, die naar de compositielessen van van Zemlinsky ging, waardeerde hem als mentor, vriend, vertrouweling en bemiddelaar. De jonge Zemlinsky werd sterk beïnvloed door Brahms en Wagner. Zijn post-Romantische periode, die in 1902 begon met Die Seejungfrau, zou twintig jaar later culmineren in de Lyrische Symphonie. Hij werd in de de loop van de tijd steeds progressiever; soms flirtte hij zelfs met de Nieuwe Zakelijkheid, neoclassicisme en jazz. Nadat hij was gedwongen nazi-Duitsland te verlaten keerde hij terug naar Wenen en vluchtte vervolgens in 1938 via Praag naar de Verenigde Staten, waar hij stierf in vergetelheid.

Maeterlinck-Liederen

Maurice Maeterlinck (1862-1949) kreeg in 1911 de Nobelprijs voor literatuur; hij was een respectabel man, kosmopolitisch, welgemoed, befaamd om zijn toneelwerk, met name Pelléas et Mélisande en L'oiseau bleu. In een bondige, vaak monosyllabische taal lokt Maeterlinck de lezer donkere labyrinten in. Zijn poëzie, rijk aan symbolen – sleutels, kronen, torens en grotten, goud en zilver, licht en schaduw, de cijfers drie en zeven – roept de magie van een verloren wereld op. In veel van zijn drama's wordt het lot van jonge meisjes verbeeld, geblinddoekt, verlaten, mishandeld of wegkwijnend in donkere kelders. 'Hoe vaak, zonder zelfs maar de kleinste waarschuwing, staat de deur van de dood opeens op een kier of helemaal open', schreef de Engelse journalist Henry W. Nevinson (1909), 'en onzichtbare handen trekken, en kinderen worden binnengelokt, en jonge meisjes worden binnengelokt, en wijze mannen, en oude mensen.' De scenario's van Maeterlinck kijken terug naar een ver en duister verleden maar ze zijn ook profetisch doordat ze gaan over werkelijk bestaande monsters in onze tijd: Ian Brady en Myra Hindley, Marc Dutroux, Josef Fritzl, Ariel Castro.

Zemlinsky maakte in de zomer van 1913 de cyclus af en orkestreerde de twee nieuwe liederen in 1921. Schönberg maakte zich zorgen dat de partituur erg ingewikkeld zou zijn en heel veel repetities zou vergen, maar Zemlinsky verzekerde hem dat de enige moeilijkheid lag in de veelvuldige tempowisselingen. 'De drie zusters zullen zorgvuldige voorbereiding nodig hebben', schreef hij, en voegde eraan toe dat de andere drie liederen moesten worden gerepeteerd 'alleen met betrekking tot hun atmosfeer'.

De werken uit Zemlinsky's middelste periode zijn beknopter en minder overvloedig gearrangeerd dan zijn fin de siècle-composities. Hij begon te experimenteren met harmonie gebaseerd op perfecte kwarten, maar hij volgde Schönberg niet verder op de weg naar atonaliteit. Als hij dat wél zou doen, betekende dat afscheid nemen van alles waar hij voor stond: de expressieve, coloristische en symbolische kwaliteiten van het diatonische systeem, de hemelse orde van muzikale telling.

De stijgende mineur-drieklank in het vocale gedeelte van Die drei Schwester is een citaat – wellicht toevallig – van een vroeg lied O Blätter, dürre Blätter, geschreven in 1897. Die tere link kan misschien enig licht werpen op Zemlinsky's interpretatie van Maeterlincks gedicht – maar misschien koos hij ervoor om helemaal niet te interpreteren. Zijn muziek levert een een passende 'atmosfeer' voor de tekst – niets meer en niets minder. In het twee maten lange postludium, dat in 1913 aan het lied werd toegevoegd, barst euforie uit in geweld: reflectie van de Zeitgeist?

Die Mädchen mit den verbunden Augen vertelt over het lot van de zeven gevangen prinsessen van Maeterlincks Ariane et Barbe-bleue. De herhaalde tussenwerpsels in het gedicht – '(Doe de gouden blinddoek af!)' – worden weerspiegeld door abrupte veranderingen van ritme en tempo.

De zachtgerande sonoriteit van Lied der Jungfrau benadrukt hoe devoot het gedicht is, dat uit het mirakelspel Soeur Béatrice (1896) komt. 'Die korte melodie in Es majeur aan het einde is prachtig', schreef Schönberg.

Hoewel de tekst geen aanwijzing biedt dat hij een theatrale oorsprong heeft, werd Als ihr Geliebter schied geschreven voor de tragedie Aglavaine et Sélysette (1896). De opzettelijke vaagheid van Maeterlinck werkte Tolstoi op de zenuwen. 'Wie ging naar buiten?' brieste hij. 'Wie kwam er binnen? Wie is er aan het woord? Wie ging er dood?' De laatste drie liederen van de cyclus zetten de atmosfeer van stoïsche contemplatie voort die wordt opgeroepen in het tweede en derde.
'Mijn God, wat is dit alles wonderschoon', schreef Webern.

Antony Beaumont
Vertaling: Koen Kleijn