Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Brahms Dubbelconcert

Viool, cello en orkest: wat kan Johannes Brahms ertoe hebben gebracht een concert voor deze opmerkelijke combinatie te schrijven? Was de meest traditiebewuste componist van de Romantiek na twee pianoconcerten en een vioolconcert uitgekeken op de traditionele, negentiende-eeuwse manier waarop het solo-instrument zich verhoudt tot het orkest? Er is wel geopperd dat hij, met zijn liefde voor de concertante vormen van de achttiende-eeuwse muziek, het concerto grosso wilde laten herleven. Maar niets in de partituur doet denken aan de typisch barokke schrijfwijze, in het bijzonder wat de rol van de solopartijen betreft. Viool en cello wisselen elkaar niet alleen af, ze gaan vaak ook zodanig in elkaar op dat het beeld ontstaat van één gigantisch, van acht snaren voorzien muziekinstrument, ruimschoots toegerust om de confrontatie met het symfonieorkest aan te gaan.

Brahms componeerde het werk voor violist Joseph Joachim en cellist Robert Hausmann. De 54-jarige componist, die zijn Dubbelconcert tijdens een vakantie in Zwitserland schreef, zou twee vliegen in één klap hebben willen slaan. Ten eerste door – tevergeefs – te proberen zijn oude vriendschap met Joachim te herstellen – de twee hadden ruzie naar aanleiding van Joachims echtscheiding, waarbij de componist partij voor de echtgenote had gekozen. Ten tweede door een belofte aan Hausmann in te lossen – Brahms had hem een celloconcert toegezegd.

De lyrische rijkdom van de muziek lijkt het genoegen van Brahms’ zomerse verblijf te weerspiegelen. Hoewel de viool en de cello globaal een evenwaardig aandeel hebben, neemt het laatste instrument herhaaldelijk het initiatief bij het introduceren van thema’s. Het eerste deel biedt een mooi voorbeeld van de manier waarop Brahms zijn bekende hoekige, stugge ritmes combineert met onweerstaanbare vloeiende melodieën. Boeiend is de onverwachte manier waarop de solo-instrumenten het orkest herhaaldelijk als in een groepsconversatie interrumperen. Het langzame middendeel biedt een veelheid van poëtische gedachten. Is er iets méér Brahms dan het centrale, door viool en cello in octaven gespeelde thema? In het slotdeel heeft speelsheid de overhand. Zo zigeunerachtig als de finale van Brahms’ Vioolconcert klinkt dit deel weliswaar niet, maar ook hier horen we af en toe iets dat lijkt op een hommage aan zijn Hongaarse vriend Joachim.