Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest

Lasha Bugadze

 

Platen bij de Dry Bridge

Lasha Bugadze
Lasha Bugadze

 

Het lijkt erop dat ik nog voor mijn geboorte smoorverliefd werd op klassieke muziek, en in het bijzonder op Mozarts pianoconcerto #21. Ik zat nog steeds in Mama’s buik toen ik luisterde naar het concerto in C-majeur dat door Robert Casadesus gespeeld werd. In de eerste plaats hoorde ik hoe de naald in de Sovjetplaat kraste en telkens op dezelfde verkeerde plaats oversprong, precies in de cadans op het einde van de eerste allegro.

Alleen al uit liefde voor historische anekdotes zou ik graag luisteren naar het concerto zoals het door de excentrieke Maria Yudina werd opgevoerd. Nochtans hoorde ik het verhaal pas veel later: blijkbaar had Stalin haar op de radio horen spelen en vroeg hij, met de gedachte dat hij naar opgenomen muziek luisterde en niet naar een live opvoering, om een opname. Diezelfde nacht nog werd het concerto, gespeeld door het orkest met de bevende dirigent die vreesde voor zijn leven, haastig opgenomen.

Dat is de reden waarom ik voor mijn geboorte geen andere keuze had dan te luisteren naar de plaat die mijn twintigjarige Papa uitgekozen had voor mijn negentienjarige, zwangere Mama.

Papa legde vroeger zelf een andere plaat op door voorzichtig de naald van die verkeerde plaats op te tillen en een poging te doen om de muziek op zo’n volume te houden dat ze Opa niet zou storen bij het luisteren naar het informatieprogramma Vremia, maar tegelijkertijd ook duidelijk hoorbaar zou zijn voor zijn nog geen acht maanden oude baby in de baarmoeder van zijn vrouw.

Zover ik het kan beoordelen was het luisteren een succes. Het was immers met Mozarts pianoconcerto’s die ik bij de Dry Bridge kocht dat ik dertien jaar later vinylplaten begon te verzamelen. Hiermee ben ik sindsdien nooit opgehouden.

Hoewel klassieke muziek via Mama een weg naar mijn hart vond bleef zij, in tegenstelling tot Papa, een passieve luisteraar. Hij luisterde actief. Van hem leerde ik hoe ik het dirigeren kon nabootsen, wat niet verwonderlijk is aangezien iemand die van symfonische muziek houdt zich er maar moeilijk van kan weerhouden een denkbeeldig orkest te dirigeren. Terwijl men naar de platenspeler luistert. Thuis. Zonder de minste kennis te hebben van hoe het eigenlijk zou moeten. Sommigen zingen in de douche (ikzelf ben geen uitzondering), sommigen zwaaien met hun handen alsof ze dirigeren – louter voor het plezier of omwille van overweldigende emoties.

Eén van mijn eerste bewuste herinneringen heeft met Papa’s schouders te maken: hij staat bij een schildersezel in zijn atelier dat wegens een laag plafond en de afwezigheid van elektriciteit absoluut niet geschikt is voor zijn job. Ik zit op zijn schouders en kijk op alles toe. In mijn herinnering staan twee gewaarwordingen voorop: enerzijds de geur van olieverfschilderijen, anderzijds geluiden die afkomstig zijn van de platenspeler die op de grond staat. De muziek zelf kan ik me niet meer herinneren, enkel mijn zintuiglijke waarnemingen, hoewel ik nu weet dat Papa toen naar zijn favoriete Mahler luisterde. De Sovjet-muziekfabrikant Melodia vervaardigde blauwe vinylplaten die later deel uitmaakten van mijn verzameling: negen platen van de onverklaarbaar slonzige, gedeeltelijk kale Rafael Kubelik, en één waarop een foto van Willem Mengelberg stond die er meer als een docent dan als een dirigent uitzag. Verder waren er in Georgië geen platen van Mahler te verkrijgen. Of deze waren in elk geval de enige die Papa had. Hij luisterde naar Mahler op die blauwe platen en schilderde zijn trilogie, zijn schilderijen die nog steeds de partijnamen van de symfonieën dragen: Urlicht – de Tweede Symfonie, de eerste en laatste partijen, en het adagietto uit de Vijfde Symfonie.

Ik zie de eerste twee elke dag, terwijl we eigenlijk gedacht hadden dat de Urlicht voorgoed verloren gegaan was in de chaos van de jaren ’90 en de oorlog in Tbilisi. Verrassend genoeg dook het schilderij enkele jaren geleden op in het huis van een zeer argwanende verzamelaar die aarzelend bekende dat Papa’s Mahlerschilderij aan zijn muur hing. Herhaaldelijk vroeg ik hem het aan Papa te tonen, maar hij hield zich doof omdat hij blijkbaar vreesde dat Papa het zou terugnemen, of erger, er iets anders over zou schilderen. In de regel kunnen verzamelaars kunstenaars die nog in leven zijn niet uitstaan.

Op het gebied van amusement was er niet veel te doen in de Sovjet-staat Georgië, dus bedacht mijn familie bezigheden die de sombere eentonigheid van het dagelijkse leven konden doorbreken zodat het toch wat leuker werd. Mijn tante liet ons een poppenkastshow zien waarvoor ze een oude zetel gebruikte. Na vele pogingen en het vaak verliezen van haar zelfbeheersing slaagde ze er toch in met haar zelf ontworpen poppen De Toverfluit voor ons op te voeren. In het ontwerpen was ze niet bijzonder goed als het op geslachtelijke verschillen aankwam, dus het was eerder moeilijk om te raden of een pop mannelijk of vrouwelijk was – Pamina en Sarastro leken verdacht veel op elkaar, wat bij mij protest en verontwaardiging teweegbracht.

Papa had een vriend, een muzikant, de zoon van een beroemde Georgische componist. Hij had een lange haviksneus, vooruitstekende tanden en haren die leken op takken zoals ze in bezems verwerkt worden. Als men von Karajan of gelijk welke andere dirigent dan Hans Knappertsbusch in zijn aanwezigheid vermeldde, stond dit gelijk aan heiligschennis. Blijkbaar irriteerden kinderen hem evenzeer als dirigenten want op een keer, toen hij besloot een amateuristische productie van De Toverfluit op te voeren in een ruime woonkamer, nam Papa me mee (hij had het doek geschilderd voor de opvoering van zijn vriend). De muzikant wierp me een afkeurende blik toe en berispte Papa:
‘Hadden wij niet afgesproken geen kinderen mee te brengen? Gewoonlijk beginnen ze te praten op de meest ongepaste momenten en zitten ze luidop te geeuwen.’

Ik wou zeggen dat ik alle respect voor hem had, maar ik al heel goed naar Mozart geluisterd had voordat ik geboren werd. Gezien het feit dat ik een zesjarig en min of meer braaf kind was, weerhield ik me er echter van om commentaar te geven. In feite viel ik tijdens zijn Toverfluit in slaap, maar dan toch zonder te zitten geeuwen.
Papa was steengoed in het praten over muziek. Hij deed me mijn liefde voor opera inzien door zijn vertelkunst. Hij vertelde het plot met veel enthousiasme en bediende zich van een verfborstel tijdens het dirigeren. Zo vertelde hij me over de voorlaatste scène uit Don Giovanni waarin het beeld van de Commendatore Don Giovanni voor het avondeten bezoekt. De akkoorden die de Commendatore inluiden vormden een tijd lang mijn sterkste muzikale indruk: vroeger tekende ik de scène op alle plaatsen waar ik mijn handen kon leggen of waar ik bij kon – op vellen papier, tafels, muren en zelfs de keukendeur.

‘Wat heb je toch met die jongen gedaan? Straks begint hij op mijn hoofd te tekenen!’ Zo wees Oma mijn Papa terecht.
Het was Don Giovanni die mij de inspiratie gaf om vinylplaten te beginnen verzamelen. Ik herinner me nog goed hoe ik mijn eerste platen op de vlooienmarkt bij de Dry Bridge vond: het was mei 1992, zonder twijfel de hardste en meest deprimerende periode uit ons recente verleden. De Sovjet-Unie was slechts enkele maanden voordien uiteengevallen, wat uitstekend was, maar het gebeurde in de tijd toen de aanhangers van de president en zijn gewapende oppositie in strijd waren met elkaar. De voortdurende spanning moet de reden geweest zijn waarom iedereen de meest opgewachte gebeurtenis miste: de val van de Sovjet-Unie en de onafhankelijkheid van Georgië.

Het waren vreselijke jaren: elektriciteitsstoringen, geen geld, geen openbaar vervoer … En het was koud. Ik heb geen idee hoe mijn ouders het voor elkaar kregen om onder de ondraaglijke omstandigheden te leven. Ik vond het jammer dat we geen elektriciteit hadden, maar in tegenstelling tot mijn ouders vroeg ik me nooit af hoe we zouden kunnen overleven. Hoe vreemd het ook mag klinken, ik kan niet bedenken hoe we erin slaagden te leven. Als ik in hun schoenen had gestaan zou ik vast en zeker gek geworden zijn. Ik zou niet in staat geweest zijn om de werkelijkheid onder ogen te zien. Maar zij wel – mijn tantes, ouders, grootmoeders en grootvaders.

Eigenlijk was er geen elektriciteit. En als het er toch was, verlichtte het onze huizen voor een paar uren, gewoonlijk tussen twee en vier ’s morgens. Alles kwam tot leven in deze kleine uurtjes omdat gezinnen begonnen te wassen, baden, koken, en zelfs de tv die niets toonde ging even aan. Het lukte Papa om op de één of andere manier zijn schilderijen, hoofdzakelijk kleine landschappen, te verkopen. Ze werden opgekocht door vrouwen met een interesse voor het esthetische, echtgenotes van individuen die door hun criminele activiteiten een zekere rijkdom vergaard hadden. Samen met zijn vroegere medewerkers besloot Opa een fastfoodrestaurant te openen in het Instituut voor Arbeidsbescherming (zo’n absurde instelling zou enkel in de Sovjet-Unie hebben kunnen bestaan), maar al erg gauw ging de hele onderneming ten gronde, waardoor hij in een stilzwijgend passieve staat van zware depressie verzeild geraakte: hij verviel in lusteloosheid als resultaat van zo’n radicale verandering in de levensstijl waaraan hij gewend was.

Dankzij de Voorzienigheid en de esthetische echtgenotes van criminelen kon Papa me steeds kleine bedragen schenken zodat ik een plaat of twee kon kopen die we tussen twee en vier ’s morgens konden beluisteren.
Want muziek was ons toevluchtsoord.

Het was inderdaad een soort van toevluchtsoord in de Sovjettijden, ook toen mijn ouders afstand probeerden te nemen van de onderdrukkende werkelijkheid. Mogelijks hebben ze onbewust gewenst naar een andere plek te verhuizen, naar de plaats waar die muziek vele jaren geleden gemaakt werd. Hetzelfde gebeurde met mijn eerste platen die ik goedkoop op de kop tikte bij de Dry Bridge, nu goed gebruikt maar nog steeds in goede staat, met Mozarts pianoconcerto’s, fragmenten uit zijn opera Cosi fan tutte en met Bastianini die Rigoletto’s aria’s zong – stuk voor stuk verzachtten ze onze harde realiteit.

Eén van de ondraaglijkste ogenblikken was toen de stroom ongelofelijk zwak was, waardoor we ons afvroegen of we nu eigenlijk elektriciteit hadden of niet. Lampen en televisieschermen vertoonden een zielige flikkering terwijl de plaat op een vervelend trage manier bleef draaien. De weinige stroom was niet sterk genoeg voor de platenspeler. Als resultaat klonken de stemmen van de zangers lager terwijl het tempo daalde met minstens vijf vertragingen.
‘Zet het uit! Dit is pure marteling!’ zei Papa toen tegen me, maar ik weigerde me af te zetten tegen de zwakke stroom van de elektriciteit die we zo zelden kregen.

De Sovjet-Unie was een land waarin de tijd stilstond.

De eerste jaren van de onafhankelijkheid van Georgië waren net zo machteloos, traag en ondoelmatig als mijn platenspeler. Er was nauwelijks vooruitgang, maar het was veel beter dan in een stilstaande staat te leven.
Stilstand en de geschiedenis van Georgië voerden altijd al oorlog met elkaar: ideologen en censoren van het Russische Rijk probeerden een einde te maken aan het bestaan van de Georgische meerstemmigheid door deze te vervangen door de Keizerlijke éénstemmigheid. Dit stond gelijk aan hun methode om fresco’s in oude Georgische kerken te vernietigen, waarna ze de muren witten en zo hun sporen uitroeiden om als het ware de geschiedenis zelf uit te wissen. Het was de bedoeling om de Georgiërs niet langer Praise of Vine te horen zingen, een lied dat naar het gedicht van King Demetre uit de 9e eeuw voor drie stemmen geschreven werd, of verscheidene versies van Long Live, en vele andere voortreffelijke polyfone muziekstukken die altijd deel hadden uitgemaakt van onze meerstemmige Georgische identiteit.

Desondanks hebben de klanken, alsook de herinnering, het overleefd. Onze meerstemmigheid, onze liederen, de muziek zelf heeft de kennis over ons op peil gehouden.

Muziek is op een onveranderlijke wijze ons veilige toevluchtsoord geweest. Zoals het eeuwen geleden was, en zoals het was in de deprimerende jaren ’90, klonk muziek uit de huizen van bange en bedroefde mensen. Het kon zang zijn of pianospel, de klank die de oude wijken van het antieke Tbilisi kenmerkte.

Vandaag de dag, nu de vinylplaten zelden langzaam draaien, zijn er nog steeds mensen – helemaal niet hulpeloos – die verlangen de geschiedenis af te remmen of zelfs geheel stop te zetten.

Op de eerste plaats betreft het die mensen die doodsbang zijn voor de harmonie van de Europese meerstemmigheid, die nu nog het verlangen koesteren een strikte éénstemmigheid in Sovjetstijl te verbreiden in onze levens.
Ik geloof niet dat zij ooit zullen slagen. Een niet-muzikale cultuur kan het nooit van een muzikale winnen.
Ik was er me alleszins van bewust toen ik als foetus van acht maanden, nog veilig in Mama’s buik, luisterde naar Mozarts pianoconcerto #21. Toen al begreep ik het.

Lasha Bugadze werd in 1977 in Tbilisi geboren. Zijn eerste boek The Box verscheen in 1998 bij Sulakauri Publishing, zijn exclusieve uitgever in Georgië.

In 2002 zijn korte verhaal The First Russian werd onderwerp van een parlementair debat, waarin zijn verhaal aanleiding was tot debat over de invoering van censuur en het verhaal zelf verboden dreigde te worden. Hij werd door de Georgische Patriarch ontboden en hij dreigde geëxcommuniceerd te worden uit de kerk als hij weigerde publiekelijk zijn excuses aan te bieden.

Deze gebeurtenis bepaald sindsdien grotendeels de thema’s in zijn werk, maar hij weet binnen deze persoonlijke tragedie zijn humor te behouden.

Censuur was ook het allesomvattende thema van zijn radioprogramma ‘Dialogue on Censorship’.

Bugadze is genomineerd voor de belangrijkste literaire prijzen in Georgië. Naast zijn romans en korte verhalen beleefde hij ook successen met zijn toneelstukken. In 2007 won hij de BBC Radio-play contest met When they’re attacking Taxi Drivers. Zijn toneelstuk The President has come to see you werd in Londen in productie genomen en uitgevoerd in het Royal-Court Theatre.

Lasha Bugadze is een van de bekendste en best verkopende auteurs in Georgië. Zijn boeken en verhalen zijn vertaald in 10 talen. Hij woont en werkt in de Georgische hoofdstad Tbilisi.