Mahler Symfonie nr. 2

Gustav Mahlers Tweede symfonie, bekend als ‘Auferstehung’ of ‘Wederopstanding’, werd geschreven tussen 1888 en 1894, en voor het eerst uitgevoerd in 1895. Mahler ging het gevecht aan met dezelfde thema’s, die Strauss in ‘Tod und Verklärung’ had aangeroerd – maar op een veel, veel grotere schaal.

Totenfeier

De Tweede symfonie is een kolossaal stuk. Het duurt bijna anderhalf uur, en het vergt een volledig bezet orkest, met extra koper, extra klokken, een volledig koor, een sopraan en een alt-solo én een 'Fernorchester', een klein extra orkest, dat buiten de concertzaal speelt. Die enorme machine overtreft die van die andere titaan, de Negende symfonie van Beethoven. Mahler kwam met zijn Tweede aan de grenzen van wat met een symfonie mogelijk is – en ging daar vervolgens voorbij. Hij moest wel: hij probeerde de allerverhevenste ideeën uit te drukken, en 'alleen de noten voldeden daarvoor niet'. Het ontwerp van het grote werk zou Mahler vele jaren bezighouden. Hij voltooide het eerste deel in 1888 als een symfonisch gedicht getiteld 'Totenfeier' – Begrafenisfeest. Pas vijf jaar later besloot hij dat dat stuk het openingsdeel van zijn symfonie zou kunnen zijn, en toen schreef hij een tweede en derde deel. Die drie delen samen gingen op 4 maart 1895 in Berlijn in première.

Auferstehung

Maar daarmee was de kous niet af. De uitdaging was de compositie van een waarlijk grootse finale. Mahler wist dat dat een vocaal deel zou moeten zijn, net als in Beethovens Negende, maar de juiste tekst ervoor vond hij niet. De bliksem sloeg uiteindelijk in tijdens de uitvaartdienst van de grote dirigent Hans von Bülow, in 1894. Daar hoorde Mahler het gedicht 'Die Auferstehung' van Friedrich Gottlieb Klopstock, en '… toen werd mij alles geopenbaard, klip en klaar.' Mahler gebruikte de eerste twee strofen van Klopstocks gedicht, en voegde er eigen regels aan toe, die specifiek over verlossing en wederopstanding gaan. Hij voltooide de finale in 1894, en voegde er een vierde deel aan toe, het lied 'Urlicht'. Het lied was deel van 'Des Knaben Wunderhorn', een vroeg negentiende-eeuwse bundel van Duitse volkspoëzie die veel invloed had op Mahlers liederen en symfonieën. Het lied werd waarschijnlijk al in 1892 of 1893 geschreven.

Een leven zonder betekenis 

Het complete stuk ging in december 1901 in première in Dresden. Er was een programmaboekje bij, waarin Mahler uitlegde waar de muziek over ging. Het eerst deel, zo schreef hij, stelt een begrafenis voor, en daar worden vragen gesteld als ‘Is er leven na de dood?’ Het tweede deel is een herinnering aan gelukkige jaren in het leven van de dode; het derde stelt de onzin van het leven voor, en het vierde, ‘Urlicht’ is de wens om uit een leven zonder betekenis te worden verlost. In het laatste, vijfde deel, komen alle twijfel en vragen weer terug, maar het deel eindigt met uitbundige uitdrukking van hoop, de verwachting van een eeuwige, alles overstijgende vernieuwing.

Na de première trok Mahler het boekje weer in – de muziek was misschien bedacht als zuiver en abstract, niet als de verklanking van een verhaaltje. Maar de grote vragen waren altijd duidelijk, zoals hij later nog eens in een brief aan zijn vriend Max Marschalk schreef: ‘.. dit gaat over de grote vraag: ‘’Waarom heb je geleefd? Waarom heb je geleden? Is het allemaal een grote gruwelijke grap?’’ Wij moeten deze vragen zien te beantwoorden, hoe dan ook, als we door willen gaan met leven – ja zelfs als we willen sterven! Wie deze oproep eenmaal gehoord heeft moet antwoorden – en ik zal dat antwoord geven, in het laatste deel.’

Het antwoord

En antwoorden doet hij in inderdaad. In de tweede helft van het laatste deel breekt de Dag des Oordeels aan. De trompetten van de Apocalyps geven ‘der grosse Appell’, de Grote Aankondiging. Het koor zingt ‘Sterben werd' ich um zu leben’ – ik zal sterven, opdat ik zal leven, en de partituur schrijft voor dat zij dat ‘mit höchster Kraft’ – uit alle macht - zingen. Het orgel valt in (hier schrijft Mahler met ‘volles Werk’, de complete machine) en kerkklokken klinken. Mahler kocht voor de première een stel echte kerkklokken aan, omdat hij vond dat alle andere middelen tekortschoten. Hij schreef over dit laatste deel: ‘De oplopende spanning, klimmend naar de uiteindelijke climax, is zó enorm, dat ik – nu het allemaal over is – zelf niet meer weet hoe ik dat ooit heb kunnen schrijven.’

Net als in Richard Strauss’ ‘Tod und Verklärung’ is de drijvende kracht van de symfonie de diepe, diepe angst van de mens tegenover de dood. Alleen een onwrikbaar geloof in de wederopstanding houdt de mens op de been. Mahlers antwoord op de vragen – ’Waarom heb je geleefd? Waarom heb je geleden?’ is duidelijk: ‘Geloof dat je niet voor niets geboren bent! Je hebt niet voor niets geleefd en geleden! Op vleugelen zul je opstijgen, om het Licht te zien.’

Koen Kleijn