Beethoven: Pianoconcert nr. 3

Rond 1800 was Ludwig van Beethoven in Wenen niet alleen bekend als componist, maar vooral als pianist. Zijn eerste twee pianoconcerten (uit 1795 en 1797) waren bedoeld om zich vooral zó te profileren. In muzikaal opzicht had hij ze bewust conservatief gehouden, zodat alle aandacht zou uitgaan naar zijn virtuositeit tijdens de uitvoering.

Er is een belangrijke aanwijzing dat Beethoven met zijn Derde pianoconcert een stap verder wilde gaan: de toonsoort, C mineur. Deze karakteristieke toonsoort gebruikte hij eigenlijk alleen voor zijn meest stormachtige, romantische composities. 'Papa' Haydn had hem een paar jaar eerder gewaarschuwd, bij het beluisteren van Beethovens spookachtige Derde pianotrio (dat in dezelfde toonsoort stond): publiceer deze maar niet; het publiek houdt niet van deze toonsoort. Maar Beethoven was niet te stoppen en zo ontstonden onder meer de barse Vijfde symfonie, de dramatische Sonate Pathétique en de aangrijpende 32ste Sonate, allemaal in C mineur.

Het Derde pianoconcert heeft niet het weerbarstige, compromisloze karakter van bovenstaande werken; een pianoconcert was immers een relatief commercieel genre dat een groot publiek moest aanspreken. Maar het heeft een donker, broedend eerste deel, een romantisch zangerig tweede en een vurige finale. Het orkest heeft een meer prominente rol. Het is voor het eerst niet uitsluitend dienstbaar aan de solist, maar een gelijkwaardige partner, en daardoor krijgt het concert een wat meer symfonische allure. Er was overigens ook een praktische aanleiding om het orkest een wat steviger positie te geven: de pianobouwers van die tijd breidden het klavier uit met een stuk meer noten dan de gebruikelijke vijf octaven. Beethoven heeft in dit pianoconcert gebruik gemaakt van de nieuwe mogelijkheden, waardoor de pianopartij een briljantere klank kreeg en beter tegen een orkestraal stootje kon.

Toen het concert was voltooid schreef Beethoven aan verschillende uitgevers dat zijn eerste twee pianoconcerten niet zijn beste werken waren en dat ‘muzikale politiek’ eiste dat hij zijn beste werk nog even geheim hield voor het publiek. Tijdens de première in 1803 speelde de componist vanzelfsprekend zelf de pianopartij, en hoewel het stuk al geruime tijd op de plank had gelegen had Beethoven geen tijd gehad om de pianopartij uit te schrijven. Ignaz von Seyfried, die de bladzijden voor Beethoven omsloeg, schreef later dat hij tot zijn ontsteltenis meest lege bladzijden zag, met hier en daar voor hem onbegrijpelijke hiërogliefen. Beethoven speelde het werk nagenoeg uit zijn hoofd. De rollen waren omgedraaid: híj gaf Von Seyfried het signaal wanneer hij een lege bladzijde kon omslaan.